Genieten van hofjes in Groningen

,,Wat indrukwekkend! Alsof de wereld hier niet bestaat.'' Toeriste Anky Donkers (62) geniet uitbundig van het Heilige Geestgasthuis in het centrum van Groningen. Het hofje ligt vlakbij de drukke Vismarkt, aan de Pelsterstraat nummer 43. Via een zware poort en een munumentale gang bereikt de bezoeker een ,,verrassende oase van rust'', zoals Donkers het gasthuis omschrijft.

Het ommuurde hofje telt drie binnenhoven, die onderling door steegjes worden verbonden. Piepkleine oude huisjes – 41 stuks – leunen tegen elkaar, in de tuintjes vallen keurige rijen bomen op. Er staat een zeldzame gietijzeren pomp die uit de negentiende eeuw stamt. Een van de binnenhoven was ooit een kerkhof, behorend tot de kerk van het gasthuis waar de Waalse gemeente en de Vrijzinnig Hervormden om de week nog hun diensten houden.

,,Het is een dorp op zichzelf'', vertelt beheerster W. Kooi. ,,De bewoners moeten ten minste dertig jaar oud zijn. Ze wonen veelal alléén en betalen 550 euro huur per maand.'' Voor ,,soms luidruchtige studenten'' is geen plaats in het dertiende eeuwse Heilige Geestgasthuis, dat in de volksmond ook het Pelstergasthuis heet. Hier regeert de stilte.

Amsterdam, Leiden en Groningen zijn Nederlands koploper als het om het aantal hofjes gaat. Alleen al in de oude binnenstad van Groningen zijn er zo'n 25, aldus de plaatselijke VVV,die wandelingen langs deze bezienswaardigheden organiseert. Deelnemers passeren aan de Rademarkt het St. Anthonygasthuis (1517) met boven de ingang de tekst: Bespodt niet een out wyf ofte man/niemant wyet waer `t hem toe comen can. En als toegift: Van ouderdom en doot is Godt allein bevryt/alle andere dingen voranderen met daer tyt.

De gasthuizen waren aanvankelijk bedoeld voor armen, vreemdelingen en zieken, maar specialiseerden zich later in de verzorging van oude mensen. Zo werd het St. Anthonygasthuis dat tussen 1702 en 1844 een `dolhuis' was – op zondagmiddag konden Groningers daar tegen betaling krankzinnigen gaan bekijken – in 1854 omgebouwd tot kamers voor bejaarden.

De meeste gasthuizen zijn in het leven geroepen door rijken. Ze deden dat uit medelijden met slechtbedeelden, maar ook ter meerdere glorie van zichzelf. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de stichtingsoorkonde van het Mepschen- of St. Annengasthuis (aan de Oude Kijk in 't Jatstraat), dat tot stand kwam dankzij Syerd de Mepsche, weduwe van Otto ter Hansouwe. De oorkonde beschrijft het gasthuis als ,,dat huus (...) tot behoeff vyfteyn arme menschen, die men aldaer ten ewygen dagen van hoeden, holden en bewaren sullen''. En dit, zo staat er vervolgens, ,,ter ere van God, de Heilige Maagd, de twaalf apostelen (...) en ter zaligmaking van haar ziel, die van haar overleden echtgenoot en van haar familieleden''.

Toeriste Anky Donkers schiet in de lach als ze het verhaal leest. Deze regenachtige middag bezoekt ze alleen het Heilige Geestgasthuis. Maar ze zal zeker terugkeren ,,om van álle stille hofjes te genieten'', verklaart ze bij het verlaten van Pelsterstraat 43. Aan de poort hangt een karton: `Deur zachtjes sluiten svp'.