Een echte baan

Verstandelijk gehandicapten kunnen soms prima omgaan met de werkdruk in de horeca. De stichting Columbus helpt ze aan betaald werk.

`KROKETTEN, wie had er kroketten?' Met twee in papieren servetjes gewikkelde dampende kroketten loopt Siegfried Martina de kantine binnen van het Stadsdeelkantoor Amsterdam Zuidoost. Het is half één en topdrukte. Maar Siegfried verblikt noch verbloost. Hij blijft glimlachen.

Siegfried is 44 jaar en heeft een lichte verstandelijke beperking. Tot eind vorig jaar zat hij in de dagbesteding van de Stichting AGO. Maar daar is sinds januari verandering in gekomen. Dankzij een samenwerkingsproject met de Kingmaschool voor moeilijk lerende kinderen leert Siegfried in deze kantine de kneepjes van het cateringvak. Hij start hier binnenkort officieel met de opleiding voor assistent horeca medewerker en leert nu al werkend de nodige vaardigheden. En als alles loopt zoals het zou moeten lopen, gaat hij er in de toekomst zijn brood mee verdienen.

De initiatiefnemers Maureen van der Pligt, arbeidscoördinator van de Kingmaschool en Leo Blokland, directeur van de Stichting AGO, eten een broodje in de kantine. Voor de Kingmaschool, die op het gebied van leer-/werkplekken hard aan de weg timmert, is de kantine in Zuidoost één van de vele projecten. Maar voor de stichting AGO is dit opleidingstraject uniek. Blokland: ``Onze cliënten hebben heel veel begeleiding nodig. In een sociale werkvoorziening met één begeleider op tien cliënten redden ze het niet. Maar er zijn mensen, zoals Siegfried, die met méér begeleiding en structuur wel in een normale arbeidsomgeving kunnen werken. In dit project kunnen we wél die intensieve aandacht bieden.''

Hoofddoel van de voor dit project opgerichte Stichting Columbus is om leerlingen van de Kingmaschool en deelnemers aan Trainee+ (door de gemeente gefinancierde werkervaringsprojecten voor jongeren vanuit het voortgezet speciaal onderwijs) én cliënten van de Stichting AGO op een echte werkplek op te leiden voor een horecadiploma en een betaalde baan. Op dit moment volgen twee cliënten van de Stichting AGO de opleiding tot horeca-assistent en vier deelnemers van Trainee+. Bij ieder nieuw gezicht dat binnenkomt bekijkt de kookjuf van de Kingmaschool, Marjo van Dijk, of iemand de talenten heeft om aan de opleiding te beginnen. ``Snijtechnieken en dergelijke zijn nooit het probleem. De werkdruk is altijd het heikele punt. Je ziet altijd pas in de praktijk of iemand daar mee kan omgaan. Wie dat niet kan, kan bijvoorbeeld nog wel in de spoelkeuken staan, maar is niet geschikt om de opleiding te doen.''

Het kan er in de kantine hectisch aan toe gaan. Van Dijk: ``Er bellen constant mensen over lunches en koffie, de groothandel levert spullen af die direct ingeruimd moeten worden, de koffieautomaten moeten bijgevuld en ondertussen moet alles vóór twaalf uur worden klaargemaakt. Per dag verzorgen we hier 100 tot 150 lunches. De hectiek maakt gestructureerd lesgeven wel eens lastig. Daarom neem ik mensen op rustige momenten geregeld apart om dingen uit te leggen.''

Onder leiding van Van Dijk en bedrijfsleider Diana van Bruggen (afkomstig van de AGO) werken er iedere dag zes leerlingen in de kantine, vier van de AGO en twee van de Kingmaschool/Trainee+. Niet iedereen komt elke dag. De leerlingen van de Kingmaschool gaan een paar dagen per week naar school, waar ze theorie krijgen, maar de AGO cliënten leren alles ter plaatse. ``De theorie komt tussendoor'', vertelt Van Dijk. ``Ik begin met de basale hygiëne, zoals handen wassen, ik leg uit waarom we met verschillende kleuren messen en snijplanken werken. Hygiëne is iets waar ik constant op blijf letten. Het werkt goed op deze manier. Je hoort terug wat je ze vertelt hebt, dus zo weet je dat het blijft hangen. Bijvoorbeeld dat het in blokjes snijden van bijvoorbeeld een komkommer 'brunoise' heet. Dat zeggen ze dan op een gegeven moment zelf.''

De leerlingen mogen zolang over hun opleiding doen als nodig is. ``We hebben alleen een beginpunt, geen eindpunt'', zegt Van der Pligt. ``Deze leerlingen hebben nauwelijks ervaring met toetsen. Dus laten we iemand pas examen doen als hij of zij het écht onder de knie heeft.''

De kantine-medewerkers lunchen samen na het spitsuur. Debora Williams (17) hapt in een broodje hamburger. Zij is een deelnemer aan Trainee+ en vindt `alles' leuk. ``We beginnen om half negen, dan gaan we eerst een koppie koffie of thee drinken. En dan begin je om negen uur met koken. Wat ik geleerd heb? Hmmm, dat je tomaten in plakjes of blokjes kan snijden, brunoise, en dat je dat op de groene snijplank moet doen. Die is voor groente.'' Aan de andere kant van de tafel eet Siegfried de kerriesoep die vandaag op het menu staat en een salade. Hij moet even heel hard nadenken op de vraag wat hij de afgelopen maanden heeft geleerd. ``Broodjes in de oven'', zegt hij dan. Van Dijk luistert mee en helpt hem. ``Je kunt ook heel goed de counter klaarmaken, alle data controleren, dat heb je ook geleerd.'' Siegfried lacht en knikt instemmend.

Wat wennen was, vertelt Van der Pligt, was het verschil in cultuur tussen de school en de Stichting AGO. ``De AGO heeft van oudsher meer een zorgende missie en dat is een andere manier van aanpakken dan de onze. Wij zijn als school vrij streng: `heb je hoofdpijn, dan neem je maar een aspirientje, want het werk moet af'.'' Blokland knikt. ``Onze cliënten komen veelal uit een beschermende omgeving die (over)bezorgd is. Ouders vinden het al een hele stap als hun kind zelfstandig met de tram hierheen reist. Het is voor hen wennen dat er eisen gesteld worden: op tijd komen, doorwerken, niet bij ieder pijntje gaan zitten. Maar het is de enige weg. Willen gehandicapten een volwaardig onderdeel worden van de maatschappij dan moet enerzijds de maatschappij haar deuren openzetten, maar anderzijds moeten de gehandicapten zich ook gedragen naar de eisen die de maatschappij stelt.''