D66 is al veertig jaar aan het vernieuwen

Bijna veertig jaar geleden is het dat de Democraten 66, toen nog D'66, werden opgericht door een groepje staatkundig bezorgde, overwegend jonge, overwegend randstedelijke Nederlanders. Als politieke partij uiteindelijk en niet als ,,Beweging', een vraagstuk waarover nog stevig was gediscussieerd en waarin de mening van Hans van Mierlo, journalist en de politieke kopman, de doorslag gaf. Nederland was aan het ontzuilen en deconfessionaliseren, het sloot een na-oorlogse periode van wederopbouw, van restauratie, zo men wil, af. Mede als gevolg van de na-oorlogse geboortengolf kwamen grote groepen jonge, steeds vaker ongebonden mensen aan op de kiezersmarkt. The times they were a-changing, ook in Nederland, dat volgens velen aan verbouwing toe was. Het harmoniemodel van de verzuilde wederopbouwers begon te kraken. Een zekere welvaart en de vondst van een grote aardgasbel openden de deur naar nieuwe verdelingsvraagstukken. En ook op politiek en sociaal-cultureel terrein klonk de roep om vernieuwing, om meer medezeggenschap en invloed van alle burgers.

In die jaren waren nog drie kabinetten op dezelfde verkiezingsuitslag gevormd: het centrum-rechtse kabinet-Marijnen, het centrum-linkse kabinet-Cals en – nadat dat oktober 1966 was gevallen over een motie van de fractieleider van de KVP, in de roemruchte Nacht van Schmelzer – een overgangskabinet-Zijlstra.

Een politiek bestel waarin zoiets mogelijk was moest verdwijnen, vonden de Democraten, die wel met voor-oorlogse vrijzinnig-democraten werden vergeleken. Zij verklaarden de oorlog aan dat bestel en die oude `linkse' en `rechtse' negentiende-eeuwse partijen en een stelsel waarin de kiezer zijn bestuur niet rechtstreeks kon kiezen en maar moest afwachten wat er in kabinetsformaties gebeurde met zijn stem. D'66 wilde daartegen een gekozen minister-president en een tot meer politieke duidelijkheid dwingend districtenstelsel inzetten als breekijzers, meer rechtstreekse invloed van de burger op zijn bestuur in het algemeen. Zo, dreigend met een ontploffing, wilde D'66 de gevestigde partijen en het kiesstelsel te lijf.

Maar de gevestigde partijen bleken taai. Taai bleek ook het systeem van volle evenredige vertegenwoordiging zonder kiesdrempel (wie de kiesdeler haalt heeft een zetel), en met getrapte verkiezingen (Eerste Kamer) en koninklijk benoemde bestuurders (als burgemeester en commissaris der Koningin). Van Mierlo haalde 7 zetels in 1967, wat voor een beroemde foto zorgde op de voorpagina van de New York Times, en zelfs 11 in 1971. En er werd – beproefd afweermechanisme – ook een staatscommissie gevormd voor mogelijke herziening van Grond- en kieswet. Maar verder gebeurde er niet zo veel dat de gevraagde ontploffing dichterbij bracht. Integendeel, D'66, hoewel opgericht om in de politiek te staan `voorbij' begrippen als links en rechts, koos bij monde Van Van Mierlo ,,met het pistool op de borst'' voor links. Zij was als het ware een `gewone partij' geworden. Wat tot gevolg had dat de partij zelf min of meer in een linker- en een rechtervleugel (de groep-Goudsmit) verdeeld raakte en even later, na de vorming van het kabinet-Den Uyl (1973-1977), zó in de omarming van de PvdA en de door deze partij kortstondig gepropageerde Progressieve Volkspartij (PVP) belandde dat zij er – toch al zwaar beproefd in haar eerste rol als kleine regeringspartij – nagenoeg aan bezweek. Een teleurgestelde Van Mierlo vertrok en het thema staatkundige vernieuwing leek dat, wat D'66 betreft, mét hem te hebben gedaan.

Dat bleef zo nadat de partij onder Jan Terlouw weer verrassend tot leven was gekomen (17 zetels, 1981). Terlouw zag misschien wel wat in de oorspronkelijke staatsrechtelijke vernieuwingsvoorstellen maar hij zag ook dat andere partijen en een meerderheid van de kiezers daarvoor niet zo enthousiast (meer) waren. Kortom; onder Terlouw waren die voorstellen geen speerpunten meer en werd D66 vooral een ,,redelijke partij'' van ,,redelijke mensen'' die zich dan ook als `Redelijk Alternatief' bij de kiezers aanprees. Dat lukte goed, vooral met die 17 zetels in 1981, die D66 in een middenpositie tussen elkaar slecht gezinde partijen als CDA en PvdA in het tweede kabinet-Van Agt (1981-'82) bracht.

In dat kortstondige `vechtkabinet' bleek opnieuw dat D66 het als oppositieclub beter doet dan als kleine regeringspartij met weinig kans op een herkenbaar eigen profiel. Kortom, er volgde een zeer harde klap in de stembus, Terlouw vertrok en D66 leek als relevante politieke kracht weer gedoemd tot kwijnen en verdwijnen. Tot, een paar jaar later, Van Mierlo van stal gehaald werd om weer aanvoerder te worden van een oppositiepartij die hij in 1994 zelfs 24 zetels bezorgde. Waarna hij er ook nog in slaagde om PvdA en VVD te winnen voor een paarse coalitie, met D66 tussen hen, opnieuw in het midden. Maar wie gedacht had dat Van Mierlo, voorzien van veel krediet en 24 zetels, die situatie zou hebben aangegrepen om minister van Binnenlandse Zaken te worden en volop aan bestuurlijke vernieuwing te doen, vergiste zich. Hij ging naar Buitenlandse Zaken, vanwaar hij kon zien dat de vernieuwingsagenda van paars bescheiden bleef. Overigens kreeg D66 als regeringspartij weer zware klappen: 14 zetels in 1998 en zeven in 2002, waar er in 2003 nog een afging. Twee jaar geleden wist Van Mierlo zijn partijcongres te bewegen ja te zeggen tegen een plaats in de `rechtse' coalitie-Balkenende op voorwaarde dat die zou gaan werken aan de benoemde burgemeester en een nieuw kiesstelsel. De mislukte lijsttrekker De Graaf, die ooit een doctoraalscriptie over de gekozen burgemeester schreef, werd als minister van Bestuurlijke Vernieuwing nu in persoon de symbolische speerpunt van de partij. Curieus was dat. Paradoxaal, zou Van Mierlo kunnen zeggen. Want een meerderheid van dat congres, net als een meerderheid van de kiezers in een veranderd land, liep helemaal niet (meer) zó warm voor die mét de partij veertig jaar ouder geworden vernieuwingsideeën. Wat nog zou blijken.