Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Mijn probleem is dat ik me te makkelijk laat afleiden. Om twee timmermannen en een electricien te ontlopen – ik had al drie keer in mijn beste Hongaars uitgelegd wat er nog moest gebeuren – ging ik naar een café. Thuis wordt er voortdurend een beroep gedaan op mijn beschikbaarheid. Met het tevreden gevoel van een scholier die spijbelt liep ik in de zon, van het Moskwa Tér richting Café Creme, hét apollinische café van Boeda. Ik zou op de bank in de hoek gaan zitten, met overzicht over het gehele etablissement, daar in de luwte zou ik beginnen aan mijn grote Hongaarse roman.

Vanaf de straat, door de glazen deur heen, zag ik dat er één andere klant was, een jonge vrouw met een streng zwart knotje en stevige borsten. Ze had haar bontjas als een eskimobed achter zich gedrapeerd. Ze zat in de uitverkoren hoek. Het café was verder leeg. Ik keek rond. Nee, geen enkele tafel kon tippen aan de hoektafel. Ik knikte vriendelijk naar de vrouw met het knotje en schoof achter de tafel, anderhalve meter van haar vandaan.

Om geen misverstanden te laten bestaan over mijn intenties pakte ik meteen mijn papieren te voorschijn en ging nijver als een boekhouder aan de slag. Geconcentreerd schreef ik: 21 maart 2005, Boedapest. Zo, het begin was er. Ik zat juist te denken hoe ik na deze geniale opening verder zou gaan toen de cafédeur alweer openzwaaide. Nog een vrouw met zwarte haren kwam binnen. Ze nam blij plaats tegenover mijn buurvrouw. Het was gedaan met de rust. Tassen werden op de knieën genomen, papieren bij elkaar gegraaid en uitgespreid op de tafel.

Twee minuten later kwamen vier grote kerels binnengestommeld, twee in overalls. Voor ik het wist werd aan het tafeltje naast mij juist dat wat ik trachtte te ontlopen gestart: een bouwvergadering. Het gruis en de eindeloze conversaties over isolatiemateriaal en bedrading achtervolgden me, al reisde ik naar Istfahan (we hebben zeven verbouwingen gedaan de afgelopen drie jaar, met het nadeel dat ik net zo verbouw als ik schrijf: al werkende ontwikkelt zich het idee).

Ik probeerde me op het schrijven te concentreren, maar kon het niet laten naar de bouwplannen te kijken. Terwijl ik naar de tekeningen loerde viel het me op dat de dame met het knotje tussen broek en shirt een onbedekte strook van ruim een decimeter had. De vier bouwvakkers beten hun tongen kapot om naar de plattegrond en niet naar de blote buik van de leidinggevende dame te staren.

Toen de vergadering eindelijk afgelopen was vroeg ik wat er gebouwd ging worden. ,,Het moet een fietsenshowroom worden'', zei de dame met de blote buik: ,,Maar mijn klant wil teveel op een te klein oppervlak.'' Ik ken het probleem.

De timmermannen thuis moesten de waaierkast afmaken. Het was het uitvloeisel van een bezoek van Ilona aan Christie's op een verloren zondagmiddag enkele jaren geleden. Bij de te veilen spullen zat een enorme verzameling waaiers, onder verschillende lotnummers. Ilona schreef met heel lage bedragen in op vrijwel alle lotnummers in de hoop misschien één lot te krijgen – je weet tenslotte niet hoe een koe een haas vangt – ze waren decoratief, die oude waaiers.

De volgende ochtend, enkele uren voordat de veiling begon, boorden twee vliegtuigen zich in de torens van het World Trade Center in New York. Geen hond kwam naar Christie's. Door Osamen Bin Laden bezitten wij sinds 11 september 2001 de grootste waaiercollectie op het Continent. Sinds die dag ook ontvangt Ilona, in de hoedanigheid van de meest serieuze collectioneur van het vasteland (we weten tenauwernood wat de voor- en de achterkant van die dingen is), invitaties voor waaierlunches en teaparty's in en om Londen.

In mijn werkkamer slaapt de herdershond op zijn rug, de vier poten recht de lucht in. Het is inmiddels nacht. Eindelijk is het volkomen stil om me heen. Ik moet het toch hebben van de nachten om te schrijven. In de tuin springt een van de halogeenlampen aan. Nieuwgierig blijf ik voor het raam staan om te zien wat het geactiveerd heeft. Ik kijk verwonderd naar het decor van mijn eigen leven. De tuin in het felle licht heeft iets onwerkelijks. Over de muur komt een sluipende gestalte. In het licht van de halogeenlamp zie ik dat het Miksi, onze kat, is. Achter hem een tweede sluipende gestalte. ,,Leuk een andere kat'', denk ik, ,,Miksi maakt vrienden''.

Maar dan, als het gedaante het volle licht instapt, zie ik dat het niet een kat is maar een vos. We wonen weliswaar dichtbij de bossen, maar toch min of meer midden in Boedapest. Als een tekenfilmvos blijft de vos bovenop de tuinmuur midden in de spotlight staan, klaar om te gaan zingen, en kijkt me langdurig aan met een blik van `heb ik wat van je aan?'.

Door een filosoof van rechts wordt Hongarije `het land zonder consequenties' genoemd. Ik geloof dat dat besef nu zelfs tot onze huisdieren is doorgedrongen. Zoals die twee achter elkaar aan over de tuinmuur kuieren krijg ik de indruk dat onze kat Miksi en de buurtvos kameraden zijn geworden en des nachts er gezamenlijk op uit trekken. Ik sluit niet uit dat Miksi de buurtvos af en toe door het katteluikje mee naar binnenloodst. Er schuilt een opschepper in hem. Daarbij ruikt het de laatste tijd vreemd in de kelder.

Ik zou eigenlijk niet verbaasd zijn als ik die twee 's nachts Pálinka drinkend op de barkrukken in de keuken aantref. Komt allen naar Hongarije: het land waar alles nog mogelijk is!