Stromingen zijn relatief

Carel Blotkamp richtte een tentoonstelling in die veel onbekende en nog nooit geziene objecten van het Stedelijk Museum laat zien. Al kijkend val je van de ene verbazing in de andere.

Wat voor museum wordt het Stedelijk in de nabije toekomst? Is het straks, na de verbouwing aan het Museumplein, een chic en conventioneel museum voor moderne kunst waar vooral internationale hoogtepunten worden getoond? Of heeft het ook een taak ten opzichte van de Nederlandse kunst? Moet het experimenten aangaan met de jonge kunst? En wat te doen met de negentiende eeuw, die ook in de collectie is vertegenwoordigd? Moet het zich profileren als een museum voor beeldende kunst, zoals dit de laatste decennia het geval was, of is het wenselijk dat andere deelgebieden, zoals meubelkunst, design, textiel, grafiek, fotografie, een wezenlijk onderdeel zijn van het tentoonstellingsbeleid?

Carel Blotkamp (1945) stelde in het tijdelijke gebouw van het Stedelijk als gast-tentoonstellingsmaker een expositie samen getiteld Leporello 1874-2004, Een reis door de collectie. Per jaar koos hij één werk uit. Niet alleen resulteerde dit in een prachtige tentoonstelling die de rijkdom en veelzijdigheid van de collectie van het Stedelijk zichtbaar maakt, ook doet Blotkamp en passant suggesties voor het beleid van het Stedelijk dat in de komende tijd vorm moet krijgen onder de nieuwe directeur, Gijs van Tuyl. Tussen de regels door is te lezen en te zien hoe Blotkamp over het museum denkt. Heel waardevol, want deze hoogleraar moderne kunst aan de Vrije Universiteit, criticus en beeldend kunstenaar, paart een goed oog aan een grote kennis van de beeldende kunst.

Ziek aapje, zo heet een keramisch beeldje van niet meer dan enkele centimeters hoog van de hand van beeldhouwer Joseph Mendes da Costa (ca. 1901). Het zoutglazuur waarmee Mendes het grès, dat bij hogere temperaturen gebakken wordt dan aardewerk, bedekte, leverde fraaie tinten bruin en blauwgrijs op. Het aapje zit kouwelijk ineengedoken onder een mantel in een grote glazen vitrine, op een roze sokkel voor een roze achtergrond. Een ongebruikelijke manier van presenteren, want wat moet zo'n beestje in zijn eentje in die ruime uitstalkast, en dan ook nog met al dat roze. Maar het werkt. De kleine sculptuur met zijn vereenvoudigde vorm heeft een monumentale uitstraling die, nu het object geïsoleerd wordt getoond, goed tot uitdrukking komt.

Deze ogenschijnlijk overdreven presentatie van het object dwingt langzame aandacht af. Hier is het Blotkamp ook om te doen: hij wil dat de objecten op een geconcentreerde manier worden bekeken. Hij nodigde beeldend kunstenaar Peter Stuycken uit om kleurpanelen te ontwerpen voor ieder afzonderlijk werk. Dit blijkt een effectieve manier te zijn om structuur aan te brengen in de ongedefinieerde, niet voor exposities geschikte kantoorruimten van het voormalige postgebouw. Struycken liet acht kleuren mengen, en ieder werk hangt aan zo'n paneel.

Met de titel Leporello verwijst Blotkamp naar het geïllustreerde vouwboek, waarin iedere bladzijde tegelijk terug en vooruit verwijst. In dit geval werken de kleurpanelen als bladzijden in een boek. Zodoende krijgen de kunstwerken een context binnen de chronologie van de kunstgeschiedenis. Aan het begin van het tentoonstellingsparcours komen het vroegste jaar – 1874: schilderij van de impressionist Jongkind van een straatje in het Franse Nevers – en het laatste jaar – 2004: schommelstoel ontworpen door Ron Arad – samen. Hier kan de bezoeker kiezen of hij de tentoonstelling van toen naar nu of andersom wil doorlopen. In 1874 werd de `Vereeniging tot het Vormen van eene openbare Verzameling van Hedendaagsche Kunst te Amsterdam' (bekend als de Vereniging met de Lange Naam) opgericht, die de basis zou leggen van de verzameling van het Stedelijk.

Zeggingskracht

Met deze nadruk op de eigen zeggingskracht van het kunstwerk gaat Blotkamp dwars in tegen de heersende mode in de museumpraktijk die enige tijd geleden begonnen is bij de kleinere volkenkundige en archeologische musea in ons land. Ook het nieuwe Rijksmuseum wordt na de verbouwing volgens deze mode ingericht. De kunstwerken vormen dan niet langer een aparte categorie van objecten, maar dienen samen met gebruiksvoorwerpen en tijdsdocumenten ter illustratie van de Nederlandse geschiedenis. De gedachte is dat wanneer kunstvoorwerpen in verhalende ensceneringen zijn geplaatst, ze gemakkelijker toegankelijk zouden zijn voor het publiek. Dit is een popularisering die ten koste gaat van de kunst. Want in dergelijke presentaties wordt geen recht gedaan aan het kunstwerk als een complex ding. Het verhaal of thema dat door het kunstwerk wordt verbeeld is meestal slechts een oppervlakkige betekenislaag. De eigenlijke betekenis wordt belichaamd door de materiële eigenschappen van het object, terwijl ook de kunsthistorische context belangrijk is voor de interpretatie van het werk.

Blotkamp koos de tegenovergestelde methode door de kunstwerken zelfstandig te tonen. Daarbij hield hij wel degelijk rekening met het publiek, in de vorm van een gidsje waarin de keuze van de werken wordt verklaard en waarin ze allemaal kort staan beschreven. Op de tentoonstelling blijkt dat het publiek heel goed buiten gedramatiseerde ensceneringen kan. De werken worden stuk voor stuk aandachtig bekeken.

Blotkamp deed zijn keuze uit alle collecties van het Stedelijk, van schilder- en beeldhouwkunst tot grafiek en video. En dan niet het hipste en beroemdste, maar bekend en onbekend, traditioneel en revolutionair door elkaar. Hiermee wil hij de standaardindeling van overzichtsboeken doorbreken, en laten zien dat de moderne kunstgeschiedenis niet een kwestie is van een opeenvolging van stromingen, maar dat juist individuele posities belangrijk zijn.

Een klein doekje uit 1878 van de Nederlandse Biedermeier-schilder Bakker Korff, een Lezende vrouw, hangt naast een stoel van Michael Thonet uit 1879. Het truttige onderwerp van de vrouw die met een witte muts op het hoofd in haar benauwend burgerlijke interieur de krant zit te lezen, is schitterend geschilderd. Zie het licht op haar glanzende roze jurk en op de krant, en zie hoe overwogen, net niet symmetrisch, de compositie is met die drie wandpanelen en de meubelopstelling, met de vrouw als een diagonaal ertussen. Naast dit tafereeltje is de Thonet-stoel met zijn sobere elegantie zó modern dat hij iets puur visionairs krijgt. En in deze context wordt ook duidelijk hoe stoer en gedurfd het donkere Stilleven van Suze Robertson is.

Al kijkend val je van de ene verbazing in de andere. Het pointillistische schilderij van Jan Toorop, met een rij mannen die tegen een bomschuit aanduwen als een vrolijk fries tegen het donkerbruine hout: nooit eerder gezien. In de ijle stippelingen van de transparant gekleurde lucht zien we, in de verte, de atmosferische abstractie van Toorops kleinzoon, de schilder Edgar Fernhout (zoon van schilderes Charley Toorop) opdoemen. Veel van de werken op de tentoonstelling zijn zelden of nooit eerder getoond. Het kinderspel met stokken en gekleurd papier van het echtpaar Ray en Charles Eames (1951) was zelfs nog nooit uitgepakt. Erich Wichman, veelzijdig kunstenaar en autodidact, kon zilver in water veranderen, getuige zijn zilveren doos (1917). De ongelofelijk gedetailleerde, exuberante klok van Jan Eisenloeffel (1924), versierd met email en halfedelstenen, hangt bij de robuuste, tijdloze Meisjestorso van John Rädecker. De dansende composities van `tiksels', door drukker-schilder Werkman in de jaren twintig op de schrijfmachine gemaakt: ook nog nooit gezien. Werkman toont zich hier de evenknie van de Dadaïsten, met een combinatie van esthetiek en alledaagsheid die vooruit lijkt te lopen op de kunst van de jaren zeventig (Hanne Darboven).

Medeoprichter van de Wiener Werkstätte Josef Hoffmann ontwierp een beeldschoon mokkaservies dat, gezien de doorgaans streng geometrische ontwerpen van deze meester, onverwacht frivool is. De vormen zijn geïnspireerd op pompoenen en meloenen. Indrukwekkend is het affiche This is Nazi brutality van de Amerikaanse kunstenaar Ben Shahn uit 1942, dat het uitmoorden van de bevolking van het Tsjechische dorp Lidice memoreert. Het affiche diende ter ondersteuning van de deelname van de Verenigde Staten aan het geallieerde front. Ernaast staat een glazen schaaltje van Carlo Scarpa, Macchie, dat zó mooi is dat het een brok in de keel geeft. Een rode en groene vlek zweven complementair in de bodem van het licht goudglanzende glas en overlappen elkaar net. Het Gele Kleed (1978) van Loes van de Horst, een vlechtwerk van stroken dat schuin over een stok is gehangen, lijkt in zijn eentje de afstand tussen textiel- en beeldhouwkunst te overbruggen. De foto Theben, West (1993) van Andreas Gursky is een kosmologisch visioen van de archeologische vindplaatsen van het Egyptische Thebe.

Het lijkt onmogelijk dat dergelijk totaal verschillende objecten een overtuigend geheel vormen, maar het is gelukt. Slechts in een enkel geval werkt de truc met de kleurpanelen niet, namelijk bij die kunstwerken die zich expliciet verhouden tot de omringende ruimte en die eenvoudigweg niet op een paneel, binnen een kader, kúnnen worden getoond. Dit geldt met name het werk van Ad Dekkers, Yves Klein, Robert Ryman en Jan Schoonhoven. Het late reliëf R 90-5 van Schoonhoven, een van de hoogtepunten uit zijn oeuvre, hangt nu als een suf gordijntje voor een blauwgroene achtergrond.

Kort leven

Blotkamp toont aan dat veelzijdigheid en diversiteit geen typische kenmerken zijn van het postmodernisme, maar dat ze eigen zijn aan de ontwikkeling van de kunst. Kunstenaars die door tijdgenoten als `te laat' ter zijde worden geschoven (bijvoorbeeld de schilder Eugène Leroy) kunnen achteraf belangrijke kunstenaars blijken te zijn, terwijl dat wat als nieuw wordt bejubeld, vaak een kort leven is beschoren.

Het beste voorbeeld van hoe relatief stromingen zijn, is een foto van de Amerikaan Paul Outerbridge, getiteld Still Life. Wegens het kleurgebruik en de Pop Art-thematiek zou je zweren dat dit werk uit de late jaren zestig dateert. Tegen een hardblauwe ondergrond zien we dieprode rozen en een vrouwenhand met roodgelakte nagels die een witte rol wc-papier aanraakt. Texturen en kleuren, de aanraking van de slanke vingers, alles is hier zinnelijk en verleidelijk: het zachtrulle van het papier, de satijnen glans van de rozen, de harde glans van de nagels. De foto blijkt te dateren uit 1938. Hij is een tijdelijke bruikleen uit de collectie-Diepraam. Blotkamp nodigde vijf collectioneurs uit om als gast aan de tentoonstelling deel te nemen met `een jaloersmakend werk'.

De hint is duidelijk. Nederlandse musea, en het Stedelijk in het bijzonder, moeten hard werken aan een verbetering van de relatie met particuliere verzamelaars. Het museumwezen is verambtelijkt, volgens Blotkamp, en musea worden gezien als een pure overheidsverantwoordelijkheid waar we collectief belasting voor betalen. De musea zijn zich daar zelf naar gaan gedragen en vinden particulieren maar lastig: `Ze hoeven van een ander echt niet te horen wat goede kunst is en wat niet', aldus Blotkamp. Hij heeft gelijk, dit is het Stedelijk ten voeten uit. Hij pleit voor een stimulerende wisselwerking tussen de museale en particuliere wereld, zoals dat in het buitenland wél voorkomt.

Blotkamp heeft nog meer noten op zijn zang. Hij vindt dat de drie musea aan het Museumplein (Rijks, Van Gogh en Stedelijk) tot een afstemming zouden moeten komen van hun verzamelgebieden. Gezien de egocultuur die tot dusverre onder de directeuren in onze musea heerst, zal dit wel wishful thinking blijven. Heel jammer. In plaats van in elkaars vaarwater te vissen, zoals nu gebeurt op het gebied van de negentiende eeuw, en straks ook de twintigste eeuw als Rijksdirecteur Ronald de Leeuw zijn voornemen om 20ste-eeuwse kunst te gaan verzamelen uitvoert, zouden de drie buren er beter aan doen om samen te werken.

Hoe dit ook zij, met Leporello zet Blotkamp een optimistische toon. Deze tentoonstelling is een feest van het kijken naar beeldende kunst, én een niet mis te verstane bijdrage aan de discussie over de toekomst van onze musea.

Leporello 1874-2004, Een reis door de collectie. Tentoonstelling gemaakt door Carel Blotkamp in het Stedelijk Museum CS, Oosterdokskade 5, Amsterdam. T/m 12 juni. Dagelijks 10-18 uur, di tot 21 uur.