Smullen en alles horen

Meer zeg ik niet van Thomas Lepeltak is een boek met grote historische waarde. Lepeltak bewoog zich als journalist van het dagblad De Telegraaf enkele decennia lang in kringen waarin weinigen zich mogen bewegen, en deed onder het pseudoniem Stan Huygens wekelijks vijfmaal verslag van wat hij hoorde en zag. Koninklijke kringen, adellijke kringen, diplomatieke kringen, kringen van wijnkenners, captains of industry. Lepeltak is intussen met pensioen, en bundelde herinneringen die men niet zonder enige jaloezie kan lezen.

Een luizenleven. Savoureren, goutteren, de beste hotels, schitterende diners, schitterende wijnen, schitterende feesten en dan nog een stukkie typen, wie wil dat niet? Zou je zeggen. Want laten we vooral niet minnetjes doen over het type journalistiek dat Lepeltak al die jaren bedreef, en het soort proza dat Meer zeg ik niet bevat. We hebben hier te maken met een geheel eigen, veel te weinig beoefend genre, dat van `het smakelijke verhaal'.

Ik volg het Stan Huygens-journaal al jaren, smullend. Je laat al die mini-geschiedenissen rondgaan op de tong en geniet. Over de moeilijkheden van de naamswijziging van de intelligente prinses Christina (voorheen Marijke) en de schofterige manier (alle kringen kennen krengen) waarop George Guillermo zijn halfblinde vrouw liet voortmodderen in zang en beweging, over de hoogst ongezonde (cholesterol!) voorkeur voor orgaanvlees van de kleurrijke ondernemer Anton Dreesmann, over hoe Dirk van der Broek met zijn vader naar de veemarkt ging, over `vriend tot in de dood' annex olieminister Rabbani, de liefde van de spreekwoordelijke jonkheer voor zijn kasteel – smakelijke verhalen van dat type vinden we terug bij deze chroniqueur.

Een groot stilist is Lepeltak niet, maar dat hoeft ook niet. Het gaat om de verhalen. Waar de auteur zijn eigen overwegingen, voor- en afkeuren toont hebben we evenmin met een ruiterlijk mens te maken, een eigenschap die hij overigens in anderen zeer waardeert. De socialisten hebben zijn liefde niet – wat een duidelijke pre voor zijn geloofspapieren moet zijn geweest. Vooral Jan Pronk (drank, een hand die naar vrouwen tast) krijgt er stevig van langs. Desalniettemin steekt Lepeltak zelf wel degelijk de hand in eigen boezem. Meer zeg ik niet bevat zelfs een hoofdstuk dat `Blunders' is getiteld, gewijd aan de onschuldige en onschadelijke fouten, die je als society-journalist nu eenmaal maakt.

We mogen dankbaar zijn voor Lepeltaks memoires. Kroniekschrijvers van dit type zijn zeldzaam. De schrijvers willen wel, heus, maar kom maar eens in die kringen binnen. Misschien begrijpt niet iedereen meteen het belang van schrijvers als deze. Maar wie zou geen moord doen voor memoires van iemand die `overal bij was' aan het hof van Karel de Grote, Willem de Veroveraar of Napoleon? Wat Melis Stoke was voor het Hollandse gravenhuis, is Lepeltak voor de huidige hofhouding van de macht. De grote historische waarde van Meer zeg ik niet zal derhalve ongetwijfeld nog komen, kwestie van rijpingstijd. Vooralsnog las ik zijn gedenkschriften met rooie oortjes.

Thomas Lepeltak: Meer zeg ik niet. Boom, 216 blz., €19,50