Ot en Sien, kom toch terug

Nederlanders hebben geen tact, kreeg de Belgische schrijver Geert van Istendael in zijn jeugd te horen. Ondanks die cultus van branie en botheid, houdt hij van Nederland, zo blijkt uit zijn ode op ons land. Maar er moet wel wat veranderen.

`Mijn lieve, dierbare Nederland, loop niet te brullen als een dolle zwartbonte stier.' Aldus de hartenkreet op een van de laatste bladzijden van Mijn Nederland, waarin de Belgische journalist, essayist en literator Geert van Istendael zijn haat-liefdeverhouding met Nederland met vlotte pen van A tot Z in kaart brengt. `Zit niet met dichtgeknepen ogen thee te slurpen terwijl je huis wordt ondermijnd', gaat hij verder onder de X van Xenofobie. `Niet alleen de islam, ook jijzelf hebt solide tradities, al is de afgelopen veertig jaar het kaalslaan van dat erfgoed uitgegroeid tot een nationale sport. Overwin nu toch eens eindelijk je panische angst en gecultiveerde minachting voor je eigen tradities. Denk na, handel, doe wat moet.'

Het is duidelijk: hier spreekt een getourmenteerde geest die zelf óók in paniek verkeert omdat zijn grote liefde, Nederland, `ondermijnd' wordt. Door wie? Door wat? En hoe is die liefde eigenlijk ontstaan?

Het begon allemaal in Utrecht, waar Van Istendael (Ukkel, 1947) zijn eerste stappen in het leven zet. Zijn ouders, enige jaren in de schaduw van de Dom neergestreken, sturen hem naar een katholieke kleuterschool, maar thuis wordt hij `gevoed' met de `zeer Hollandse verhalen' van de protestantse W.G. van de Hulst. Daarna volgen het leesplankje met Aap, Noot, Mies en, van dezelfde tekenaar, de boekjes met Ot en Sien. Een wereld van avontuurlijke hooibergen, driftig draaiende molens en fris geboende dorpels, waar flink wat kattenkwaad uitgehaald wordt, gaat voor de jonge Geert open. Een liefde-voor-het-leven is geboren, die zich ook uitstrekt tot de heldere, soepele taal waarin deze idyllische wereld wordt opgeroepen.

Terug in Vlaanderen dreigt Van Istendaels ontluikende leeshonger gesmoord te worden in de Heimatromans van Claes, Streuvels en Timmermans. Maar gelukkig ontdekt hij het dromerige Erik of het klein insectenboek. Bovendien reikt Godfried Bomans hem `de maat van een emancipatie' aan die precies aansluit bij zijn eigen weerstand tegen paaps en Vlaams provincialisme. Daarna wordt hem via de heldere dictie van Heemstedenaar Boudewijn de Groot `de gulden snee van het Nederlands' geopenbaard.

Uitgevers

`Ik haatte mijn Belgische vaderland. Ik wilde terug naar de Dom', vat Van Istendael deze Sturm und Drang-periode samen. Zo ver komt het niet. Wel zoekt hij steeds vaker de Westertoren en de grachtengordel op: daar zetelen de uitgevers van de boeken die hij na zijn studie en een korte wetenschappelijke carrière publiceert. Vooral zijn polemische ontledingen in Het Belgisch labyrint (1989) en Arm Brussel (1992) vinden een warm onthaal; met zijn romans en gedichten lukt dat minder.

De bezoekjes aan zijn uitgevers worden voor Van Istendael het beginpunt van ontdekkingstochten door Amsterdam en verre ommelanden. Hij ontdekt de dorpse rust van het Vondelpark en Oud Zuid, raakt onder de bekoring van Dordrecht en Leiden, plaatsen die, anders dan provinciesteden in België, hun tentakels niet uitslaan naar de groene omgeving. Ook de `exotiek' van de Nederlandse geloofsgemeenschappen heeft zijn warme belangstelling, of het nu de megalomane basiliek van Oudenbosch betreft, of het steile Reformatorisch Dagblad. Zaken die Nederlanders afdoen als toeristisch, sluit hij liefdevol in zijn armen: de molens bij Kinderdijk, de bloembollenvelden achter de duinen. Om van traditioneel gestookte Beerenburg uit Sneek, handgemaakte sigaren uit Culemborg en kapucijners met spek maar te zwijgen.

Voor het roemrijke verre verleden, waarin handel, kunst, wetenschap en tolerantie bloeiden, ruimt Van Istendael, anders dan in zijn boeken over België, minder ruimte in. Al blijft natuurlijk niet onvermeld dat na 1585 één op de drie inwoners van Amsterdam afkomstig was uit Antwerpen, en na 1685 zeventigduizend Franse hugenoten in Nederland asiel vonden. Het meer recente verleden komt in Mijn Nederland wél uitvoerig ter sprake. Van Istendael schetst een indringend portret van Jan Koopmans, de hervormde predikant die al vroeg in de oorlog met heldenmoed en grote waardigheid waarschuwde voor het lot dat joodse medeburgers wachtte. Ook cultuurdragers als fijnschrijver Nescio, sopraan Aafje Heynis, volksbard André Hazes en stripmaker Maarten Toonder (`die onnavolgbare taal!') krijgen een eervolle vermelding.

Barbarij

Voor het overige bieden de lemma's over de recente geschiedenis de Nederlandse lezer weinig om trots op te zijn. De Eerste Wereldoorlog? Gelukkig ging die aan ons land voorbij – zodat de hele natie, anders dan België, zijn onschuld kon behouden. De Tweede Wereldoorlog? In vijf dagen werd Nederland onder de voet gelopen, maar ook toen drong de werkelijkheid van de barbarij niet door tot achter de dijken. Hoge en lage ambtenaren, met witte boord, politiepet of spiegelei, namen gezagsgetrouw de hen door de bezetter opgedragen taken op zich, zoals eeuwen calvinisme hen hadden ingeprent. Gevolg: `In België werd meer dan de helft van de joden gered, in Nederland een kwart.' Ook de militaire strafexpedities tegen Indonesische onafhankelijkheidsstrijders, eufemistisch weggepoetst als `politionele acties', vermochten Nederland niet uit de droom te helpen; het bleef zich koesteren in een zelfbeeld van voortreffelijkheid en uitverkorenheid.

Pas in de eenentwintigste eeuw wordt Assepoester wakker: `Eén dode en Nederlands veel geprezen verdraagzaamheid lag aan diggelen. [...] Wie had dat ooit kunnen denken?' Ook Geert van Istendael durft niet te beweren dat hij de ontreddering en de paniek na de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh heeft zien aankomen. Wel laat hij zien hoe na de jaren vijftig de erosie van, jawel, normen en waarden inzette. Zijn vader zei het al: `Ze hebben geen tact.' Vanaf de jaren zestig gaat het echt bergafwaarts, stelt hij. Zijn signalement van een `cultus van branie en botheid' is zeker niet origineel – al doet het je het schaamrood naar de kaken stijgen.

Als remedie beveelt Van Istendael in Mijn Nederland een bezinning aan op waardevolle tradities en een herleving van goedburgerlijke waarden als bescheidenheid en hoffelijkheid. Daarin staat hij niet alleen. Dat is waarschijnlijk wel het geval met zijn pleidooi voor de herinvoering op de basisschool van de boekjes van Ot en Sien, de helden uit zijn jeugd. Kattenkwaad met een katapult als placebo voor welgemikte schoten met een pistool. Of hebben we hier te maken met een oprisping van door Van Istendael verder zo verfoeide boven-Moerdijkse ironie?

Geert van Istendael: Mijn Nederland. Atlas, 382 blz. €22,50