Modern? Tot uw dienst!

Bernard Lewis geldt als een eminente kenner van het Midden-Oosten en als beleidsadviseur van de Amerikaanse regering inzake Irak. Maar zijn werk draait om een tegenstelling die is ontleend aan de Koude Oorlog.

Zijn de geesteswetenschappen minder wetenschappelijk of nuttig dan de natuurwetenschappen? Nee, maar ze zijn wel meer omstreden. Dat komt vooral doordat hun beoefenaars doorgaans niet beschikken over laboratoria voor het verrichten van experimenten. Bovendien kan hun onderwerp, de mens, terugpraten en hun bevindingen ter discussie stellen.

Maar onderzoek in de geesteswetenschappen (geschiedenis, filosofie, letteren) heeft wel een onmiskenbare invloed gehad op de vorming van de moderne wereld. Zo kan geschiedschrijving precies die `vaderlandse geschiedenis' tot stand brengen die ze zelf zegt alleen maar te beschrijven. Bijvoorbeeld door het terugprojecteren van een moderne nationale identiteit op voormoderne Germanen of Kaninefaten. Ook de oriëntalistiek, het vakgebied dat talen bestudeert als het Arabisch, Turks en Perzisch, en `oosterse' religies als de islam, heeft het moderne Midden-Oosten helpen vormen. Haar rol in koloniale overheersing is in 1978 al aan de kaak gesteld in Edward Saids beroemde Orientalism; maar de problematiek is belangrijk en complex genoeg om opnieuw, en met een wat nuchterder blik, te bekijken. Zachary Lockman doet daartoe een dappere poging in Contending Visions of the Middle East: The History and Politics of Orientalism. Hij onderzoekt de ontwikkeling van de oriëntalistiek, islamologie en regionale studies van het Midden-Oosten in met name de Verenigde Staten van de afgelopen eeuw, tegen de achtergrond van de Amerikaanse bemoeienis met Vietnam, het Palestijns-Israëlische conflict, Iran en Irak.

Lockmans eerste hoofdstukken beschrijven nogal plichtmatig de veranderende visies op het Midden-Oosten die het Westen sinds de oude Grieken heeft gehad. Dit voegt niet veel toe aan Saids Orientalism, behalve een grotere bondigheid en leesbaarheid. Erger is dat Lockman hier, evenals Said, precies die eurocentrische oost-west-tegenstelling reproduceert die hij juist aan de kaak wil stellen: elders maakt hij juist duidelijk dat de tegenstelling tussen het moderne of christelijke Westen en het traditionele, islamitische oosten een constructie is van de negentiende eeuw.

Interessanter wordt Lockman wanneer hij de ontwikkeling van de Amerikaanse islamwetenschappen traceert tegen de achtergrond van de betrokkenheid van Washington in het Midden-Oosten, de dekolonisatie en de Koude Oorlog en de opkomst van het Amerikaanse economische `imperium'. De plotselinge behoefte aan sociaal-wetenschappelijke kennis in dat imperium verklaart ten dele de pijlsnelle ontwikkeling van area studies, bijvoorbeeld naar Latijns-Amerika en Zuidoost-Azië, sinds de Tweede Wereldoorlog.

Lockmans nadruk op de American century zwakt de rol van Britse oriëntalisten af, om over Franse, Duitse en Nederlandse bijdragen maar te zwijgen. Twee Britten komen echter wel uitgebreid aan bod: Hamilton Gibb (1895-1971) en Bernard Lewis (1919). Beiden emigreerden halverwege hun loopbaan naar Amerika, waar ze vooraanstaande posities verwierven aan Harvard en Princeton. Vooral Lewis heeft een moeilijk te overschatten invloed gekregen op beleids- en opiniemakers. Zijn artikel The Roots of Muslim rage uit 1990 voorzag Samuel Huntington van de slogan van een `botsing der beschavingen', maar strekte ook het recentere Occidentalisme van Ian Buruma en Avishai Margalit (besproken in Boeken, 07.05.04) tot voorbeeld. Ook in Nederland heeft Lewis talrijke adepten, die zijn analyses hanteren als een short cut naar kennis over de islam.

Lewis' laatste twee boeken, What Went Wrong? (Boeken, 22.02.02) en The Crisis of Islam (Boeken, 28.03.03), waarin hij de problemen van de islamitische wereld verklaart uit een door de islam gevoede culturele stagnatie, kenden na 11 september 2001 een enorm succes. Dat commerciële succes heeft zijn uitgever waarschijnlijk aangemoedigd om nu ook allerlei verspreide stukken van Lewis te bundelen. Het vuistdikke resultaat, From Babel to Dragomans, bevat zowel doorwrochte academische studies over onder meer de Suleimaniye-moskee in Istanbul, de middeleeuwse Fatimiden-dynastie en de betrekkingen tussen het Ottomaanse rijk en het Moghulrijk in India, als polemische stukken over Irak, het Palestijnse conflict en `11 september'. Het omspant Lewis' hele, ruim vijftigjarige carrière.

Aanvankelijk behoorde Bernard Lewis tot een kring van invloedrijke historici in Oxford en het nauw met het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken verbonden Royal Institute of International Affairs. Deze kring heeft enkele meesterwerken opgeleverd, zoals Albert Hourani's Arabic Thought in the Liberal Age (1962), dat de Ottomaanse en Arabische verwelkoming van moderne Europese ideeën in de negentiende eeuw onderzoekt. Ook Lewis verrichtte in zijn jonge jaren baanbrekend werk. Hij was een van de eerste westerse onderzoekers die toegang kregen tot de Ottomaanse archieven, een schat van informatie die in de afgelopen decennia de visies op het Ottomaanse rijk grondig heeft gewijzigd.

Desondanks is zijn The Emergence of Modern Turkey uit 1961, dat de snelle en radicale omvorming van het Ottomaanse rijk tot de Turkse republiek ontleedt, terecht een klassieker geworden. Dit boek gaat, zoals veel andere studies uit de nadagen van het Britse imperium, uit van de `moderniseringstheorie'. Dat is de opvatting dat de succesvolle ontwikkeling van jonge derdewereldlanden bestaat uit het strikt navolgen van het Europees-Amerikaanse liberale model. Elke vorm van verzet daartegen, laat staan ideologische alternatieven zoals communisme of Arabisch nationalisme, worden afgedaan als ziekelijke dwalingen. Het is een zelfgenoegzame visie, die in de jaren zestig en zeventig mikpunt werd van radicale kritiek van linkerzijde, ook in de academische wereld. Saids Orientalism gaf aan deze tegenstemmen een theoretisch kader.

Lewis heeft Saids kritiek altijd afgedaan als een anti-imperialistische samenzweringstheorie; maar tegenwoordig schiet zijn afwijzing zover door dat hij de invloed van kolonialisme en imperialisme op het moderne Midden-Oosten zelfs helemaal ontkent. Nu kun je de rol van Britse, Franse en Amerikaanse inmenging in het moderniserende Midden-Oosten positief of negatief waarderen; maar doen alsof ze nooit bestaan heeft gaat wel erg ver.

In dezelfde tijd daagden politieke economen als Roger Owen en politicologen als Fred Halliday de traditionele oriëntalistiek uit. Halliday, auteur van een uitstekend boek over de wereld na 11 september 2001 (Two Hours That Shook the World, besproken in Boeken 31.05.02) wees er al vroeg op dat de westerse obsessie met olie en communisme het zicht belemmerde op politieke en andere spanningen in onder meer Saoedi-Arabië en Iran. Op hun beurt hadden deze anti-imperialistische, en dikwijls marxistische wetenschappers te weinig aandacht voor de islam als politieke factor. De islam was lang vrijwel onzichtbaar geweest, maar daaraan kwam in de jaren zeventig een einde. Met name de islamitische revolutie van 1979 in Iran plaatste zowel liberale moderniseringstheoretici als marxisten voor een raadsel.

Maar voor Bernard Lewis was de opkomst van de politieke islam geen verrassing. Al in 1976 publiceerde hij een artikel The Return of Islam, waarin hij betoogde dat nationalisme, socialisme, en zelfs de tegenstelling tussen links en rechts, in het Midden-Oosten slechts oppervlakkige en voorbijgaande verschijnselen zijn, en dat de islam op het punt stond om zijn traditionele politieke rol te hernemen. Het lijkt een profetische stelling; maar de manier waarop Lewis haar formuleert is problematisch. Hij blijft het antwoord schuldig op de vraag hoe de islam ooit die alomtegenwoordige positie kan zijn kwijtgeraakt, en op de vraag hoe religieuze tradities kunnen veranderen. Voor Lewis is de islam altijd een in wezen onveranderlijke, antichristelijke en antiwesterse beschaving geweest.

Die onwil om te onderkennen dat er een diepe breuk bestaat tussen de klassieke en de moderne islam, is Lewis' achilleshiel. Anders dan het middeleeuwse christendom kende de premoderne islamitische wereld nauwelijks religieuze vervolgingen en oorlogen; er bestond integendeel een tolerantie van afwijkende religieuze stromingen en een al even stelselmatige bescherming van religieuze minderheden. Lewis noemt dat allemaal wel, maar relativeert het belang. De militante en gewelddadige begintijd van de islam woog voor hem zwaarder dan de latere, hoog ontwikkelde islamitische beschaving. Ook de constitutionele hervormingen, de opkomst van seculier nationalisme en atheïstisch communisme doet hij af als oppervlakkige tijdsverschijnselen. De Arabische werkelijkheid krijgt daarmee een statisch en merkwaardig onhistorisch karakter. Tussen oost en west bestaan bij hem vooral diepe breuken: allereerst die tussen een christendom dat kerk en staat gescheiden hield, en een islam met `totalitaire' aanspraken; vervolgens die tussen het rationele Europa en een religieuze cultuur die niet `door de Verlichting is heengegaan'.

Dit beeld van een stagnerende islamitische wereld waar niets verandert, is in de loop van de negentiende eeuw ontstaan, en diende als rechtvaardiging van de Europese beschavingsmissie. Maar tegelijk voltrokken zich onder de ogen van koloniale heersers en oriëntalisten de meest radicale veranderingen. Islamitische rijken werden hervormd vanuit westerse, liberale noties van burgerrechten, grondwetten en parlementen. Er ontstonden nieuwe nationale bewegingen en staten. De religie kreeg een nieuwe, volstrekt ondergeschikte positie ten opzichte van de staat, de politiek en de individuele burger. Daardoor lijkt de hedendaagse islam, met zijn beroep op het individuele geweten van de gelovige, het belang van tekstlezing en sociale rechtvaardigheid, ook veel meer op het hedendaagse christendom dan op zijn eigen traditionele vormen.

Een vroege islamitische voorstander van modernisering was de Egyptenaar Rifa'a al-Tahtawi (1801-1873). Zijn verslag van een vijfjarig verblijf in Parijs is nu vertaald als An Imam in Paris. Tahtawi zoog de Franse literatuur, filosofie en wetenschappen van die tijd in zich op, en verspreidde dit gedachtegoed na terugkeer in Egypte via vertalingen en door de hervormingen die hij later als regeringsambtenaar in het onderwijssysteem doorvoerde. Hij speelde een immense rol in de modernisering van Egypte. Tahtawi's verslag wordt niet gekenmerkt door een onoverbrugbare tegenstelling tussen culturen en beschavingen. Over de omgang met ongelovigen lijkt hij zich nergens grote zorgen te maken; integendeel, hij prijst de omgangsvormen en instituties van de Fransen, net als de relatieve vrijheid van vrouwen en de grondwet.

Tahtawi wordt nergens genoemd in What Went Wrong?, evenmin als de talloze andere islamitische modernisten en moderniseerders van de negentiende en twintigste eeuw. Zo kan Lewis wel heel makkelijk volhouden dat `de islam' zich niet wilde moderniseren. Helaas spreekt hij zichzelf op dit punt ook tegen. Zijn boek over Turkije beschrijft nog hoe Turken grotendeels op eigen kracht, in weerwil van Europese inmenging, hun land hervormden; in zijn laatste bundel schrijft hij dat de islamitische wereld ondanks zichzelf moderniseert; en in What Went Wrong? doet hij alsof die modernisering helemaal nooit heeft plaatsgevonden.

Meer nog dan de stelling van de niet gemoderniseerde islam heeft Lewis' visie op islamitisch geweld school gemaakt. In The Roots of Muslim Rage, herdrukt in deze bundel, verklaart hij het geweld in de islamitische wereld uit de frustratie van moslims over het verlies van hun eerdere militaire dominantie en culturele superioriteit. Die psychologische verklaring sluit bij voorbaat uit dat geweld van moslims ooit onderdeel kan zijn van een moderne politieke strategie.

Dit idee van een irrationeel islamitisch onbehagen, en van blinde woede over verloren wereldheerschappij en culturele stagnatie, is wel verleidelijk, maar toch niet meer dan een dogma. Lewis en zijn navolgers staven het niet of nauwelijks met concrete voorbeelden, en gek genoeg vermelden ze zelfs niet de personen die het lijken te bevestigen. Zo zijn in de negentiende en vroege twintigste eeuw inderdaad weeklachten te vinden over verloren gegane wereldheerschappij bij Arabische modernisten. Alleen, die waren niet gericht tegen het Westen, maar tegen de Ottomaanse Turken. De retorische gemeenplaats van eeuwenlange stagnatie onder de Ottomaanse tirannie had dus helemaal geen islamitische, maar een nationalistische functie: je komt hem ook tegen onder Grieken. Omgekeerd hebben uitingen van nostalgie naar het imperiale Ottomaanse verleden – bij extreem-rechts in Turkije – ook eerder een nationalistisch dan een islamitisch karakter.

Lewis' stelling van een islamitisch onvermogen tot modernisering rijmt evenmin met de enthousiaste ontvangst door Tahtawi en anderen van ideeën uit de Europese Verlichting. De Amerikaanse missionaris Charles MacFarlane sprak er in 1850 zelfs schande van hoe geletterd Istanbul paradeerde met Turkse vertalingen van verderfelijke Franse materialisten als Diderot en d'Holbach, en zelfs met Voltaires zwaar antireligieuze Dictionnaire philosophique. Net als in Europa volgde op deze Verlichting een romantische reactie; aanvankelijk nam die vooral nationalistische vormen aan, later ook islamistische.

Misschien is de Koude Oorlog de beste sleutel, niet alleen tot beter begrip van de hedendaagse islamitische wereld, maar ook tot Lewis' werk: steeds duidelijker is dat de islam voor hem eenzelfde rol speelt als vijand van het moderne, liberale Westen als eerder het communisme. In de jaren zestig en zeventig meent hij nog dat de klassieke islam, wegens zijn revolutionaire potentieel, een verwantschap met het moderne communisme zou hebben; in later jaren schrijft hij plompverloren dat er een fundamentele tegenstelling tussen islam en `de moderniteit' zou zijn. Beide stellingen zijn op zichzelf al problematisch; bovendien zijn ze met elkaar in tegenspraak.

Wie zou denken dat de inzichten van de moderne oriëntalistiek gemeengoed zijn geworden, vergist zich. De afgelopen decennia hebben Amerikaanse academici veel terrein verloren aan niet-academische denktanks in Washington. Lockmans laatste hoofdstuk beschrijft hoe de academische oriëntalistiek sinds 11 september 2001 in het defensief is gedrongen door de even felle als partijdige polemieken van sommige van zulke denktanks.

Ook Lewis heeft zijn kansen ten volle gegrepen. Meer dan enig ander wetenschapper heeft hij regering-Bush aangespoord de aanslagen van 11 september te gebruiken om Saddam Hussein in Irak uit het zadel te lichten, zowel in privé-gesprekken met vice-president Cheney als in de herdrukte opiniestukken in zijn jongste bundel. Al vijf dagen na de aanslagen suggereerde hij dat de daders banden met Saddam Hussein hadden, en dat een oorlog tegen Irak de Amerikaanse reactie op de aanslagen moest zijn. Nergens vermeldt hij dat Bin Laden Saddam als `ongelovige socialist' had afgedaan, en dat hij in 1990 had aangeboden persoonlijk de Iraakse troepen uit Koeweit te verjagen.

Lewis wordt geprezen omdat hij sommige tendensen, zoals de herrijzenis van de politieke islam of de Iraanse revolutie, correct heeft voorspeld. Voorzover zulke loftuitingen kloppen, mag ook wel vermeld worden dat Lewis' profetieën herhaaldelijk de mist ingingen. Eén daarvan, niet in deze bundel opgenomen, is zijn voorspelling in 1991 dat door de invasie van Koeweit alle grenzen in het Midden-Oosten zouden verschuiven. Een andere voorspelling, wel opgenomen, was dat meteen na de val van Saddam `de vreugde in de Iraakse steden groter zou zijn dan die na de bevrijding van Kabul', en de suggestie dat de vestiging van een pro-Amerikaanse democratie in Irak een makkie zou zijn.

Dit zijn niet simpelweg de menselijke fouten van een feilbaar wetenschapper: ze hebben rechtstreeks bijgedragen aan een ondoordacht, slecht voorbereid Amerikaans bezettingsbeleid. Dat er in Irak nu een proces van democratisering op gang komt, waarbij talloze Irakezen hun leven wagen om hun eigen lot te verbeteren, is minder de verdienste van de Amerikanen, dan van de Irakezen zelf. Uit de inzet en de vaardigheid waarmee zij hun kansen benutten, blijkt dat de breuk tussen Oost en West niet zo diep kan zijn als Bernard Lewis beweert.

Zachary Lockman: Contending Visions of the Middle East. The History and Politics of Orientalism. Cambridge University Press, 330 blz. €29,10 Bernard Lewis: From Babel to Dragomans. Interpreting the Middle East. Oxford University Press, 350 blz. €33,90 (geb.) Daniel L. Newman: An Imam in Paris. Al-Tahtawi's Visit to France (1826-1831). Saqi Books, 360 blz. €42,– (geb.)

Het werk van Bernard Lewis is vertaald bij diverse uitgevers. `Wat is er misgegaan?' verscheen bij De Arbeiderspers (2002). Leverbaar zijn `De crisis van de islam' (Het Spectrum, 2003) en `Het Midden-Oosten, 2000 jaar culturele en politieke geschiedenis' (De Boekerij, 2001/2005).

Bij uitgeverij Mets en Schilt verschijnt volgende week een Nederlandse vertaling van Edward Saids oriëntalisme-kritiek, `De oriëntalisten'.