Meer zonlicht

De in Groot-Brittannië bewonderde Schotse schrijver Alasdair Gray is in Nederland ten onrechte nauwelijks bekend. Zijn veelgelaagde werk past in geen enkel hokje. ,,En òf ik boos ben!''

Irvine Welsh noemde hem `een van de meest getalenteerde schrijvers die ooit pen op papier hebben gezet in de Engelse taal', en stelde: `Als er één moderne auteur is die kan worden omschreven als een schrijvers' schrijver, dan is het wel deze buitengewoon invloedrijke Glaswegian. De lijst met zijn volgelingen leest als een Who's Who van moderne Britse fictie.'

Anthony Burgess was een bewonderaar van het allereerste uur, en Jonathan Coe verklaarde dat zijn werk zijn geloof in de moderne literatuur had hersteld, en hem aanzette om zelf te gaan schrijven. `Een groot schrijver, misschien wel de grootste nog levende in dit eilandenrijk, vandaag de dag,' oordeelde Will Self.

Waarom is het dan nog steeds nodig om de Schotse schrijver Alasdair Gray te introduceren in de woorden van mindere, maar wel beroemdere goden? Heel Groot-Brittannië mag hem dan inmiddels op handen dragen, hier heeft Gray hooguit de status van cultschrijver, een geheim dat je deelt met een enkeling die ook op de hoogte is.

Waar zit hem dat geheim in? `Alasdair Gray is een oude astmatische Glaswegian die leeft van schilderen, schrijven en het illustreren van boeken. Zijn hobbies zijn socialisme en `liking the English', staat er, bij wijze van biografietje, voorin één van zijn boeken. In een ander boek staat een opsomming van twee pagina's met alle romans, verhalen, essays, toneelstukken, scenario's, pamfletten, poëzie, anthologieën die hij heeft gepubliceerd sinds de jaren zestig, en de belangrijkste wandschilderingen die hij heeft gemaakt.

Maar de biografietjes zijn nauwelijks de meest in het oog springende kenmerken van zijn boeken. `Erratum: De uitgevers verontschuldigen zich voor het kwijtraken van de lijst met errata', staat er op de eerste pagina van Unlikely Stories, Mostly (in de eerste editie zat een papiertje met de tekst `Deze lijst met errata is ingestoken bij vergissing'). Grays romans en verhalen zijn allemaal door hemzelf voorzien van uitbundige illustraties en typografische verrassingen, een `Index van plagiaat' of 'Voer voor critici'. Een epiloog kan zomaar midden in een boek staan. Zijn magnum opus Lanark begint met deel 1, boek 3, en gaat via deel 2, boek 1 naar deel 3, boek 2 om te eindigen met deel 4, boek 4. Op elke kaft is wel ergens zijn lijfspreuk te vinden: `Work as if you lived in the early days of a better nation', en alle boeken eindigen in een vrolijk `Goodbye!'

En dan de inhoud – een veelgelaagde, meerstemmige combinatie van sociaal realisme, fantasy en sciencefiction, geschiedenis, politiek pamflet en hier en daar een flinke dosis pornografie, met als centrale thema het spanningsveld tussen persoonlijke verbeelding en politieke macht, en de zoektocht van het individu naar verlossing. Geen wonder dat de schrijver zichzelf soms sprekend opvoert in zijn verhalen als almachtige schepper, en vervolgens genadeloos de draak met zichzelf steekt. Niet zozeer post- als wel premodern, kan hij nog het beste vergeleken worden met auteurs als Laurence Sterne (de schrijver van The Life and Opinions of Tristram Shandy) of William Blake. Gray is sui generis, volstrekt idiosyncratisch, en daarin ligt misschien wel de verklaring voor zijn gebrek aan bekendheid: hoe kun je een schrijver `marketen' die in geen enkel hokje past, zelfs al zou hij het willen?

Kakelende lach

Gray (1934) is daarbij geen auteur die je je kan voorstellen in talkshows. In den lijve is hij precies zoals de stem in zijn boeken: grillig, speels, bloedserieus, excentriek, humoristisch, met veel omtrekkende bewegingen toenadering zoekend tot de lezer om dan snel weer van onderwerp te veranderen, ongrijpbaar en tergend eigenzinnig. Voeg daarbij centimeters dikke brilleglazen, eczeem, een kakelende lach, piepend astmatische uitschieters wanneer hij opgewonden raakt, een algeheel warrig voorkomen en meer dan oppervlakkige gelijkenis met Spike Milligan, de Schotse komiek.

We ontmoeten elkaar in Oran Mor, een voormalige kerk in het West End van Glasgow die is omgebouwd tot café, restaurant en cultureel centrum. Gray werkt er sinds drie jaar aan een plafondschildering in de koepelzaal, die hij mij enthousiast laat zien. Met zijn zeventig jaar staat hij vijf dagen per week, acht uur per dag op de steigers. Die zijn tijdelijk even weggehaald wegens de opening van het cultureel centrum, en Gray is er onrustig van; hij staat te popelen om weer te kunnen beginnen. In overwegend blauwe kleuren heeft hij de maanden en de tekens van de dierenriem geschilderd – er waren nu eenmaal twaalf vlakken te vullen – en zijn eigen interpretatie van geboorte, leven en dood. Ook hier prijkt weer zijn aansporing, tegen een balk, `Work as if you live in the early days of a better nation', de mengeling van hard werken en hoopvol idealisme die typerend is voor Gray.

,,Tja, ik ben nu eenmaal working class, dus werk is belangrijk voor me'', zegt de schrijver. ,,En ik beschouw idealisme niet als escapisme. Het ideaal, het goede, wordt tegenwoordig als niet reëel, niet haalbaar beschouwd, als utopisch. Maar ik ben opgegroeid in Utopia! Ik was vijf toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, en in een toestand van paniek nationaliseerde de regering zowat het hele land. Lonen en winst werden bevroren, afspraken met de vakbonden gemaakt, een goede gezondheidszorg ingevoerd, gratis melk en fruit uitgedeeld! Tijdens de oorlog waren de Britse kinderen gezonder dan ooit daarvoor. Dit proces werd voortgezet door de Labourregering die na de oorlog aan de macht kwam. Hogere opleidingen en beurzen voor iedereen, ongeacht je komaf. Toen ik opgroeide was ik ervan overtuigd dat Groot-Brittannië een voorbeeld was voor de rest van de wereld. Het Empire ging de deur uit, sociale wetgeving kwam erin.

,,En toen kwam Thatcher, die alles weer terugdraaide en zelfs dingen privatiseerde die onder de Victorianen nog gemeengoed waren – water, spoorwegen. En òf ik boos ben. Alle schrijvers die ik ken zijn woedend. Het is allereerst de rol van schrijvers en kunstenaars om te vermaken en plezier te schenken, maar daar hoort ook een kern van sociale gerechtigheid bij. Schrijvers, critici, kunstenaars, journalisten – we zitten allemaal in de showbusiness, de business of showing people things. We hebben de plicht mensen dingen te laten zien. Maar sorry, dit ontaardt weer eens in een politieke speech.''

Gray is er de man niet naar om zomaar te antwoorden op de vragen die hem gesteld worden. Liever begint hij een niet te stuiten uiteenzetting over Asterix en Obelix, de Schotse kerkgeschiedenis, Thackerays Vanity Fair of prehistorisch aardewerk, om zich dan zo'n kwartier later uit te putten in verontschuldigingen: ,,Sorry, sorry, ik draaf weer door. To get back to the main point...'' – waarna er een nieuw zijspoor wordt ingeslagen. Vaste thema's: het verraad van New Labour, de teloorgang van de Britse verzorgingsstaat, en Schots zelfbestuur – over het laatste onderwerp schreef hij een invloedrijk pamflet.

Voorwoorden

Vragen over zijn eigen boeken beantwoordt hij met verwijzingen naar andere schrijvers: ,,Die vind ik nu eenmaal interessanter.'' Dat die interesse meer dan oprecht is, bewijst wel zijn veelgeprezen Book of Prefaces uit 2000, een geannoteerde verzameling voorwoorden uit de Engelstalige literatuur van de zevende tot begin twintigste eeuw. Gray kreeg het idee voor dit excentrieke project door een opmerking van William Smellie, een van de oorspronkelijke samenstellers van de Encyclopaedia Britannica, dat in het ideale geval ,,een verzameling voorwoorden een korte, maar curieuze en nuttige geschiedenis van zowel de literatuur als de schrijvers zou bieden.'' Zestien jaar deed Gray over de samenstelling en vormgeving van het boekwerk (en dan nog alleen dankzij de hulp van collega-schrijvers en denkers als James Kelman en Roger Scruton), dat inderdaad een complete literatuur- en ideeëngeschiedenis van Groot-Brittannië biedt, en bij verschijnen direct een bestseller werd.

Het onderstreept zijn geloof in een democratisch literatuuronderwijs: ,,Ik beschouw het als een monument voor het soort van onderwijs dat de Britse regeringen van nu nutteloos vinden, met name voor arbeiderskinderen.'' In zijn eigen voorwoord schrijft hij met typisch understatement: `Elke generatie staat er een oudere schrijver op die, met een aantal gepubliceerde werken achter zich en geen ideeën voor meer, besluit om HET BOEK DER BOEKEN te produceren door stukjes uit het oeuvre van andere schrijvers samen te voegen; meestal de grote doden waarvan het copyright is verlopen. Deze boeken verhouden zich tot werken van echte genialiteit als Frankensteins monster tot Michelangelo's David. Ze zijn lelijker maar populairder.'

Zijn werkelijke boek der boeken is echter Lanark, Grays eerste roman, gepubliceerd in 1981, waarmee hij in één klap zichzelf én Glasgow op de literaire kaart zette. We volgen daarin het leven van Duncan Thaw, een overgevoelige jongeman uit Glasgow die kunstenaar wil worden, maar niet in staat blijkt tot echt contact met de mensen om hem heen, of ook maar enig compromis over zijn streven om het ultieme meesterwerk te schilderen in plaats van studieopdrachten. Het drijft hem tot waanzin en zelfmoord, maar daarna blijkt hij – als `Lanark' – terecht te zijn gekomen in Unthank, een helse onderwereld. In deze dystopie schijnt de zon maar een paar minuten per dag, en de mensen lijden er aan `dragonhide', een fatale verharding van de huid die symptomatisch is voor een emotionele en spirituele verharding. Lanark onderneemt dan een queeste naar meer liefde en zonlicht.

Maar Gray vertelt zijn verhaal bepaald niet in deze, chronologische, volgorde, en zo'n beknopte samenvatting doet weinig recht aan het boek, een hilarische, Rabelaisiaanse en ontroerende combinatie van Bildungsroman, sciencefiction, allegorie, sociale kritiek en satire op het kunstenaarschap. Naast de fantasy-achtige elementen verwerkte Gray er veel van zijn eigen leven in – van zijn herinneringen aan de verduisteringen, schuilkelders en uiteindelijke evacuatie tijdens de oorlog, waaraan hij naar eigen zeggen een apocalyptisch wereldbeeld heeft overgehouden, tot aan zijn tijd op de Glasgow School of Art – de periode, in de jaren vijftig, waarin hij de eerste fragmenten begon te schrijven van zijn roman. ,,Toen ik op academie zat, had ik al het plan om een roman te schrijven over een tragisch personage dat zou mislukken omdat hij niet in staat was tot compromissen. Daar had ik zelf minder last van: ik heb gewoon mijn eindexamenopdrachten gedaan, heb mezelf niet uitgehongerd voor de kunst, ben niet gek geworden, heb geen zelfmoord gepleegd, ben ook nooit met een prostituee meegegaan. Nou, ja, een keer dan, later pas. Ik was geschokt te ontdekken dat ze even weinig van seks afwist als ik!'' vertelt Gray, met een kakelende lach.

,,Maar ik had het boek nooit kunnen afmaken'', vervolgt Gray, ,,zonder alle ervaring.'' Zowel hijzelf als zijn hoofdpersoon had levenservaring nodig, zegt hij. ,,En ik kreeg meer ervaring dan ik dacht dat ooit nodig zou zijn voor iemand met mijn achtergrond. Overspel, echtscheiding: fatsoenlijke working class mensen in Glasgow deden zoiets niet!''

Ontsnappen

,,Daarnaast wilde ik ook dat Lanark zo zou worden als alle andere boeken waar ik altijd van heb genoten. Allereerst kinderboeken als Alice in Wonderland, de Narnia verhalen, waarbij de hoofdpersonen ontsnappen naar een andere, opwindende wereld. Toen ik wat ouder werd, begon ik ook Dickens, Hardy, Joyce te lezen, en ik dacht, ja, je kunt dus ook het leven beschrijven van mensen die je kent, je ouders, winkeliers, mensen in de buurt, en ervoor zorgen dat ook dat interessant wordt.'' Andere invloeden noemt hij in de Index van Plagiaat in het boek, maar bijzonder belangrijk waren Peer Gynt, Moby Dick, de Odyssee, Bunyan en, vooral, Kafka. ,,Ieder verhaal dat het doodgewone vreemd doet lijken, en het vreemde doodgewoon en acceptabel, sprak me aan. De enige reden dat Glasgow minder interessant leek dan andere plaatsen, zo concludeerde ik, was dat er nog niemand over geschreven had.'' Zoals Thaw opmerkt: `If a city hasn't been used by an artist not even the inhabitants live there imaginatively. (...) Imaginatively Glasgow exists as a music-hall song and a few bad novels.'' Er wordt nu vaak gezegd dat Gray voor Glasgow heeft gedaan wat Joyce voor Dublin deed. Verandert een stad als er over geschreven wordt? Gray: ,,Nee, het maakt hem alleen werkelijker, voor de lezer dan.''

Gray wist al van jongs af aan dat hij wilde schrijven en tekenen (hij maakt geen duidelijk onderscheid tussen zijn visuele en literaire verbeelding, en noemt zichzelf ,,a self-employed verbal and pictorial artist''). ,,Ik wilde eigenlijk altijd maar één roman schrijven'', zegt Gray ironisch, ,,één verhalenbundel, één bundel toneelstukken, één verzameling essays en één boek van schilderijen. En ieder boek zou groots zijn en perfect in zijn soort.'' Dat zal hem helaas nooit meer lukken, met nu al zeven romans en talloze andere boeken op zijn naam. Maar terwijl hij nog wachtte op de publicatie van Lanark, schreef hij aanvankelijk uitsluitend korte verhalen. Eén daarvan liet hem maar niet los. Het zou uitgroeien tot 1982, Janine, dat Gray beschouwt als zijn beste boek.

,,Het begon als een korte, realistische monoloog van een onaangenaam type, een rabiate Tory in de periode van Thatcher, géén kunstenaar maar een elektrotechnicus – kortom, heel anders dan ikzelf, en daarom interessant. Een tirade in de geest van Céline. Maar er drongen zich opeens een hele reeks sadomasochistische fantasieën op over een vrouw die deze Jock zelf verzonnnen had. Goed, ik geef toe zelf ook wel eens zulke fantasieën te hebben gehad. Toen het er naar uit zag dat Lanark nooit gepubliceerd zou worden, dacht ik, ik ga porno schrijven, dan verdien ik tenminste nog wat, en dat zal mijn wraak zijn.'' Gray imiteert nu een raaskallende maniak (en dat gaat hem opvallend makkelijk af): ,,De Schotse literatuur, de westerse literatuur, zullen ten einde komen, omdat mijn meesterwerk, dat ze gaande had kunnen houden, niet gepubliceerd wordt. En niemand die het weet behalve ik!'' Hysterische kakellach. ,,Ik wist beter dan zulke gedachten serieus te nemen, al kwamen ze wel bij me op. En ik kon geen porno schrijven, te saai. I couldnae stick beyond the first wank or two. Dus stopte ik het maar in het hoofd van Jock.'' Die gebruikt zijn fantasieën om de werkelijkheid, en vooral pijnlijke herinneringen aan het verleden, op afstand te houden.

Gray: ,,Het verhaal van Jock bleef maar groeien. Ik dacht bij ieder extra stukje dat het wel het laatste zou zijn. Zo'n vervelend individu, hij heeft helemaal gelijk dat-ie zichzelf haat, vond ik. Waarom zou hij zichzelf niet vergiftigen? Wat zou hij verder nog kunnen doen? Jock slikt dus een overdosis. Maar toen kwamen er opeens andere stemmen in het verhaal, en realiseerde ik me dat hij het zou overleven. Uiteindelijk heb ik hem zachtjes neergelaten.'' Van een bizarre pornografische saga in het hoofd van een nare kerel wordt 1982, Janine tot het uitzonderlijke verhaal van een man die zijn verleden onder ogen ziet en zijn ziel terugvindt: `Over een uur zal ik op het perron staan, aktetas in de hand, netter gekleed dan de meesten maar niet opvallend. Ik zal de beheersing hebben van een acrobaat voordat die op het slappe koord stapt, van een acteur die zo het toneel op moet in een totaal nieuw stuk. Niemand zal raden wat ik ga doen. Ik weet het zelf niet. Maar ik zal niet niets doen. Nee, ik zal niet niets doen.'

Gray: ,,Ook in Lanark zijn er zulke momenten van verlossing. Maar daarna gaat het door. Het doet me denken aan Oblomov, die een hekel had aan geschiedenis. Zoveel ellende, en maar heel af en toe leek daar iets goeds uit voort te komen. Oblomov dacht dan: oh, mooi. De geschiedenis kan nu ophouden. Maar het stopt nooit!'' Schuilt er misschien een imperatief in Lanarks zoektocht naar meer liefde en zonlicht? Moeten we daar proberen tevreden mee te zijn, volgens Gray?

,,De notie altijd maar gelukkig te moeten zijn is een modern, consumentistisch idee'', foetert de schrijver. ,,Of tevreden, ik denk helemaal niet dat iedereen maar tevreden zou moeten zijn. De beste en meest bevredigende momenten van mijn leven zijn die geweest waarop ik onverstoorbaar aan het werk was, me totaal onbewust van het verstrijken van de tijd, of van mezelf. Als ik aan het werk ben, kan het me niet schelen of ik gelukkig ben of niet. Ik probeer dan alleen om het goed te krijgen, mezelf te verrassen. Als ik zie hoe een boek gaat eindigen, denk ik, dit is het punt om op te houden.''