In een roes naar Timboektoe

Er wordt heel wat afgereisd in de jongste Duitstalige literatuur. Christian Kracht zoekt zijn heil in Tibet en Afghanistan, Michael Roes in de Arabische wereld, de helden van Raoul Schrott of Felicitas Hoppe zwerven over de hele aardbol – om een paar namen te noemen. De Oostenrijker Thomas Stangl (1966) blijkt ook in dit rijtje thuis te horen. Voor zijn onlangs verschenen romandebuut Der einzige Ort heeft hij een even exclusieve als legendarische locatie gevonden: de stad Timboektoe in Mali, aan de zuidrand van de Sahara. Door haar bijna onbereikbare ligging en haar rijkdom – de straten zouden er geplaveid zijn met goud – heeft Timboektoe, vroeger een belangrijk centrum van islamitische cultuur en wetenschap, lange tijd tot de verbeelding gesproken van veel Europese avonturiers en ontdekkingsreizigers.

Van deze gegevens maakt Stangl dankbaar gebruik in zijn opvallende debuut, dat een merkwaardig amalgaam vormt van filosofische en historische roman, liefdesgeschiedenis en reisverslag. Zelden is de Duitse kritiek de laatste jaren zo unaniem geweest in haar lof. De Frankfurter Allgemeine noemde het boek een `grandioze roman', Die Zeit een `betoverend boek' en het tijdschrift Literatur und Kritik roemde de ongeëvenaarde stilistische kwaliteiten van Thomas Stangls `monumentale werk', dat inmiddels is bekroond met de Aspekte-prijs voor het beste Duitstalige debuut van het afgelopen jaar.

De inhoud van Der einzige Ort laat zich kort samenvatten. Twee ontdekkingsreizigers proberen in 1826 en 1828 Timboektoe te bereiken. De Schot Alexander Gordon Laing vertrekt vanuit Tripolis en reist dwars door Algerije en de Sahara. De Fransman René Caillié probeert het vanuit Senegal en maakt gebruik van het stroomgebied van de Niger. Beiden bereiken hun plaats van bestemming en verblijven enkele weken in Timboektoe. Maar één van beiden zal levend terugkeren.

Bakkerszoon

Grotere contrasten dan tussen de twee hoofdpersonen zijn nauwelijks denkbaar. Laing, de zoon van een classicus, is een uitermate trotse en zelfbewuste kosmopoliet die zich graag presenteert als afgezant van de Engelse koning. In Tripolis raakt hij verliefd op een dochter van de Britse consul, en later in de woestijn wacht hij wanhopig op brieven van haar. Tegenover de Arabieren doet hij nogal neerbuigend. De bakkerszoon René Caillé daarentegen probeert juist te assimileren; hij spreekt een beetje Arabisch en reist deels als moslim onder de naam Abdallah – met de permanente angst te worden ontmaskerd. Hij is een uitgesproken individualist, een rusteloze zwerver – hij heeft dezelfde initialen als Robinson Crusoë – die al in zijn jeugd een `manie voor landkaarten' ontwikkelde.

Thomas Stangl wisselt de hoofdstukken over de beide avonturiers af met essayistische delen, waarin mythen en sagen aan bod komen, de ontdekkingsgeschiedenis van Noordwest-Afrika alsook de kijk van de Europeaan op de Arabier en omgekeerd. Een doorlopend thema vormt de identiteitsproblematiek, de betrekkelijkheid van normen en waarden. Zowel de verhalende als de meer beschouwende delen worden verteld in een precieze en elegante stijl, in lange en soms heel lange zinnen, die niettemin altijd transparant blijven. Onderweg in de woestijn, schrijft Stangl `worden de oude en bekende woorden, zinnen en beelden onduidelijk en geheimzinnig', en dringt zich `de onvoorstelbare mogelijkheid op dat men zelf niet in het centrum van de wereld of vooraan in de tijd staat'.

Hitte

Tien of twintig bladzijden heb je nodig om in de sfeer van dit boek te komen, om je aan te passen aan het bewust lage verteltempo van Stangl (dat prachtig combineert met de ondraaglijke hitte), aan zijn beelden en aan zijn gedetailleerde beschrijvingen. Maar daarna raak je in een roes en dan wordt het moeilijk dit boek neer te leggen.

Thomas Stangls onmodieuze debuut valt nogal uit de toon in de jongste Duitstalige literatuur. Zijn proza vertoont enige gelijkenis met het werk van Christoph Ransmayr, de schrijver van Die letzte Welt en Die Schrecken des Eises und der Finsternis (eveneens het verslag van een ontdekkingsreis); met hem deelt Stangl de ambitieuze stijl en de tijdloze thematiek. Ook aan een andere Oostenrijker zou men nog kunnen denken: de twee jaar oudere Raoul Schrott, die in zijn romans Finis terrae en (het vorig jaar vertaalde) Tristan da Cunha een identieke voorkeur voor verafgelegen oorden aan de dag legt en die evenmin het essayisme schuwt. Maar Stangl is een betere stilist dan Schrott en beschikt over meer humor.

Beginnende romanschrijvers wordt vaak verweten dat ze hun informatie al te snel en al te nadrukkelijk prijsgeven. Iedere verrassing wordt hierdoor in de kiem gemoord. Stangl ontsnapt hier meesterlijk aan. Gaandeweg en als het ware terloops laat hij iets los over de antecedenten en drijfveren van beide hoofdpersonen. Uiteindelijk komen de verhaaldraden samen en tegen het einde heeft hij nog een verrassing in petto. Raffinement tot in de compositie toe. Van Thomas Stangl zullen we nog veel horen.

Thomas Stangl: Der einzige Ort. Literaturverlag Droschl, 405 blz. €25,–