`Ik vereer hem niet als mens, alleen als dichter'

Al enkele jaren na de oorlog waren er twijfels over de houding van dichter Jan Campert in de jaren 1940/1941. Het symbool van het verzet moest echter intact blijven.

In januari 1948 nam A.J. van der Leeuw, hoofd van de Commissie van de Perszuivering, contact op met het bestuur van de Jan Campertstichting, gevestigd in Den Haag. Zoals blijkt uit de notulen van de bestuursvergadering van 20 januari dat jaar wijst Van der Leeuw het bestuur mondeling op het oorlogsverleden van Jan Campert. Hij beschuldigt de dichter van vier vergrijpen tijdens de bezetting. Campert zou in 1940 gesolliciteerd hebben naar een functie bij het Algemeen Nederlands Persbureau, nadat de joodse redacteuren er ontslagen waren. Hij zou dat jaar propagandaboekjes van de Duitse Wehrmacht hebben vertaald. Hij zou in 1941 de opmaak hebben verzorgd van De Schouw, het orgaan van de Nederlandse Cultuurkamer en hij zou joden tegen forse betaling op onveilige wijze de grens over hebben gezet.

Van der Leeuw, zo blijkt uit de notulen, vond het niet juist om de naam van Campert te verbinden aan een eerbetoon voor schrijvers ,,die zich door hun houding in het verzet hadden onderscheiden''.

Het jaar daarop, op 2 mei 1950, stuurt Van der Leeuw de stichting een `Rapport inzake Jan Th. R. Campert' waarin hij met de hulp van `de rechercheurs van mijn dienst' een belastend feitenrelaas presenteert over Campert. Uit de drie dichtbeschreven pagina's doemt het beeld op van een opportunistische kruimelcollaborateur die Duitsgezinde uitgevers om leningen vroeg. Een beeld dat gedetailleerd is beschreven in de vorig jaar verschenen biografie `Wie weet slaag ik in de dood' van Hans Renders.

Opvallend is de conclusie die Van der Leeuw aan zijn rapport verbindt: ,,In volledige overeenstemming met de betrokken rechercheurs is destijds afgesproken dat over de bekend geworden feiten zoveel mogelijk gezwegen zou worden, terwijl ook geen onnodige navraag bij niet onmiddellijk betrokkenen zou worden gedaan. Dit uit overweging dat ieder `roeren' in deze zaak aanleiding zou kunnen geven tot een publieke rel. Zulk een rumoer kwam mij en anderen uiterst ongewenst voor, gezien de bijna symbolische betekenis die de figuur Campert door zijn `De achttien dooden' heeft verworven.''

Het bestuur van de Jan Campertstichting doet op 9 september 1950 in een `geheim schrijven' verslag aan het Haagse college van burgemeester en wethouders over het rapport. Het college, zo meldt gemeentearchivaris C. Noordam nu, deed navraag bij het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en kreeg het rapport met een begeleidende brief van de toenmalige minister Rutten (KVP) - met de toevoeging `Zeer geheim' - toegestuurd. ,,Ik verbind er echter de voorwaarde aan, dat slechts uw college onder geheimhouding van dit rapport zal mogen kennis nemen.''

Op 31 oktober 1950 schrijft de Haagse burgemeester François Schokking aan de Haagse gemeenteraad een memorandum waar ook weer `Zeer geheim!' boven staat. Burgemeester Schokking en zijn wethouders zijn in verlegenheid gebracht, zo blijkt uit het stuk. ,,Wij hebben ons ernstig beraden over de vraag wat wij hiermede zouden moeten doen, met name of zij hierin de raad zouden moeten kennen en of de verstrekte gegevens aanleiding zouden geven de naam van de Jan Campertstichting te wijzigen.'' Op beide vragen geeft hij een negatief antwoord. ,,Jan Campert, van het gedicht `De achttien dooden' leeft in de harten van ontelbare Nederlanders, die voor hun vaderland opkwamen en het is niet verantwoord deze symbolische figuur in de geest van onze landgenoten te verbrijzelen.'' Van een voorstel tot naamsverandering ziet hij af (,,Aan het bestuur zal onder geheimhouding van dit standpunt worden kennis gegeven.'') en het memorandum wordt uiteindelijk niet naar de gemeenteraad gestuurd. Archivaris Noordam ontdekte het onlangs in het archief van de Haagse gemeentesecretarie.

Op 12 december 1950 reikt Schokking de Jan Campertprijs uit aan dichter Michel van der Plas en de Constantijn Huygensprijs aan prof. Gerretson. In juli 1956 moet de Haagse CHU-burgemeester aftreden vanwege zijn eigen oorlogsverleden, na een publicatie in het Haagsch Dagblad. Als burgemeester van de gemeente Hazerswoude zou hij tijdens de Tweede Wereldoorlog het ondergedoken joodse gezin Pino in paniek hebben verraden. Het gezin werd daarop gearresteerd en gedeporteerd. Het zou de oorlog niet overleven.

Van der Leeuw, die onderzoeker werd bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD), correspondeert jarenlang met oude bekenden van Campert en zoekt naar brieven waaruit meer duidelijk wordt over het oorlogsverleden van de dichter. Campert-biograaf Renders: ,,Vreemd genoeg is alle correspondentie van Van der Leeuw over Campert volledig verdwenen uit het archief van het RIOD. En toen ik Van der Leeuw drie jaar geleden vroeg naar Campert, antwoordde hij: 'Campert, daar heb ik wel eens van gehoord'.''

Als Van der Leeuw inziet dat zijn pogingen om de waarheid over Campert boven tafel te krijgen, niets uithalen, zegt hij: ,,Ik vereer hem (Campert red.) niet als mens, doch alleen als groot dichter.'' Renders: ,,Loe de Jong zei mij vlak na het uitkomen van mijn biografie over Van der Leeuw: `Hij is een buitengewoon verdienstelijk medewerker geweest, maar ik weet niet wat hij me allemaal níet heeft verteld.'.''