Het licht spat van de wielen

Wanneer begint de lente? Er zijn altijd mensen die dan beginnen over de zon, en de aarde, en de draaiing van de een ten opzichte van de ander, en de stand van de rotatieas. Ecliptica, solstitium, declinatie – dat soort praat. Op of omstreeks 21 maart zou de zon recht boven de evenaar staan en dat zou dan het begin van de lente zijn. Wij weten wel beter. De lente begint pas echt op de zaterdag in maart waarop in Milaan het startschot wordt gegeven voor de eerste wielerklassieker van het seizoen, Milaan – Sanremo. Om precies te zijn: op het moment waarop de renners, komende vanuit het binnenland, de zee gaan zien, de kalm golvende Middellandse Zee, en de kust. Elk jaar weer een bevrijdend moment: het is er allemaal weer. Palmen, groen, struiken, bloemen overal. De bijnaam van deze wielerwedstrijd: la Primavera, de Lente. Begin van de lente: als de Primavera de Bloemenrivièra aandoet. Dat is voor de toeschouwers het moment om de deuren open te gooien, de winterdekens uit te hangen en nestas te hagunnan, samen met olla vogala. Voor de renners is dat het moment om de ruggen te krommen en te beginnen aan de tientallen kilometers lange eindsprint naar Cipressa, Poggio en de Via Roma. Het spel is op de wagen.

Wanneer begint de lente in de Nederlandse poëzie? Dan zijn er altijd mensen die beginnen over Herman Gorter (1864), de Mei, de vervulling van veel van wat de Tachtigers wilden, `een nieuwe lente en een nieuw geluid'. Voorjaarsepos bij uitstek. Ook nu weten wij wel beter. De echte lente in de Nederlandse poëzie begon, het is aardig om het zo te zeggen, na de Mei: toen Gorter zich, na de verschijning ervan in maart 1889, zette aan het schrijven van een heel ander soort poëzie. Vrijer, grilliger, koortsiger. Geen braaf en kunstig werkstuk volgens de voorschriften, maar iets geheel nieuws, met een geheel nieuwe instelling, in een geheel nieuwe taal, met een geheel nieuwe vorm. Sensitieve verzen zouden ze later genoemd worden, soms ook wel sensitivistische verzen. Daar klinkt het fijnzinnige al in mee. Ze zijn nu in een nieuwe, vierde druk verschenen – helaas zonder de inleiding en de annotaties van Enno Endt.

`O nieuw getijde dat is nu', schreef Gorter in een van de eerste van die nieuwe verzen, over `een licht arm meisje dat lichthonger lijdt'. Geen Mei-meisje, maar een herfstmeisje, lang geleden geboren, in de stilte van een herfst, `toen de tijden bladstil waren'. Ook wel aardig om te zeggen: de lente in de Nederlandse poëzie is in de herfst begonnen.

Gorter schreef zijn 86 sensitieve verzen in een periode van ruim een jaar. `Ik liep een jaar rond met een licht hoofd en rare oogen als ik er nu aan denk', zou hij na afloop schrijven aan Van Deyssel. `Mijn gezondheid leed er zeer diep onder. Het was een litteratuurziekte in me.' De nieuwe weg die Gorter was ingeslagen, maakte op veel jonge dichters meteen diepe indruk. Toen J.H. Leopold in De Nieuwe Gids de eerste voorpublicaties las, ging hij onmiddellijk anders dichten: Gorteresker, sensitivistischer. Lodewijk van Deyssel na het verschijnen van deze Verzen in het najaar van 1890: `Het is een boek om op te snikken. Ik laat het niet alleen, ik wil het altijd bij mij hebben.' Kloos kwam in zijn bespreking ervan tot de beroemde formulering `dat kunst de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie moet zijn.' Maar tegelijk was er ook de reactie van prof. dr. Jan ten Brink: `Ik tart elkeen om de onhebbelijke Verzen te begrijpen, die Herman Gorter dezer dagen in de wereld zond. Er is geen keuze: òf die dichter òf tal van beschaafde menschen in Nederland zijn krankzinnig.'

Krankzinnig was Gorter vermoedelijk niet toen hij zijn Verzen schreef, wel randzinnig, als je dat zo kan zeggen. Hij leefde en schreef toen op de rand van zijn zinnen. Verrukking, verdwazing, seksuele fantasie, verwrongen waarneming. Het is een wereld waarin het licht uit wandelen gaat, ruisend, `in het gouden gewaad hangend in de luchtstraat'. Of waarin de dichter zichzelf zo ziet gaan: `De dagen zijn lichtreuzen / daar wandel ik laag tusschen.' En daar is de zee, `de metalen stralende zee en het woestlichte gebots, het wreede golfweê' met `het flitsige bijtige fijnstralend oneindige, / het zoowijdspreidige vloedendomheinige' en zo meer. Het is allemaal nog net te volgen, in ontspoorde taal die nog net niet in los woordimpressionisme oplost. `O die fonkelfijne tranelache gloeiendkoele lucht / o die fonkelgroene somberharde wreede rustige grond / daar stond zij in op.'

Naast deze hoogopgevoerde verliefdentaal staan dan enkele uiterst simpele liefdesliedjes, kinderlijk bijna, met onbenullige rijmen. Ook bijna waanzinnig, maar dan van malle eenvoud. Dat is de Gorter van het beroemd geworden `Zie je, ik hou van je, / ik vin je zoo lief en zoo licht, / je oogen zijn zoo vol licht, / ik hou van je, ik hou van je.'

Grote poëzie? Professor Dr. Jan ten Brink zal daarvan nooit overtuigd kunnen worden. Het is vooral een kwestie van smaak, en van temperament, of je meegevoerd wordt door deze nerveuzige, zoekende, licht opgewonden stem of niet. Hij spreekt een heel eigen taal, nog nooit eerder gesproken – zoals later Lucebert, Faverey en Ouwens een eigen taal zouden spreken. Een nieuwe manier van zien en zeggen, en ook daarom sterk verbonden met lente, een nieuw jaar, een nieuwe ronde. Waar begint de lente? Bij de Gorter van Mei of de Gorter van Verzen, bij de evenaar of bij de bloemenkust, bij Erwin Krol of bij Alessandro Petacchi?

In de Mei komt ergens een vergelijking met twee naar de eindstreep sprintende wielrenners voor. Het licht spat van hun wielen, ze misgunnen elkaar de winst, het is haat en nijd – en er is een groot applaus van het publiek voor de winnaar. In de sensitieve verzen zien we iemand 's avonds in zijn eentje in gedachten verzonken over de hei fietsen. Het is het stille uur. Zonsondergang. In de verte heuvels, of bosranden die daaraan doen denken. `De heuvels vallen vaal'. Zoals het strand na vloed droogvalt, zo vallen de bezonde heuvels na zonsondergang vaal. Tegenover het vallen het klimmen: de hemel klimt `in praal / hoog naar de sterren, / somber zon laat en rood, verre.' Nog een tegenstelling: daar, in de verte en in de hoogte, is alles nog praal en rood en zon, maar hier, in de invallende duisternis, wordt alles vaal en somber. `De grijze stofweg / vast in de somber stronkrommelde hei.' Alles vreemd gezegd. Stronkrommelde hei moet wel hei zijn die met zijn lage begroeiing en stronken in de schemering een rommelige indruk maakt.

De avondfietser ruikt geuren, opnieuw aller-individueelst gezegd: `vocht- en kouzoet' zijn die geuren. `Voort gaan de rijdende wielen / om de trappende voeten.' Het klinkt bedaard en bezonken. En dan in de laatste regel, licht mysterieus, als besluit: `oogzwerven en zweetrillen'. Dat is wat de stille fietser doet, met zijn uitzicht op heuvel en hemel, schemering en zonsondergang: zijn oog zwerft rond, hij rilt van het zweet. Het lijkt me ook een mooi beeld voor de dichterlijke onrust en inspanning in de andere sensitieve verzen: oogzwerven en zweetrillen. Met nog een kleine gekkigheid erbij: `zweetrillen' rijmt niet helemaal op `rijdende wielen'.