Geen vijand, geen uitweg

Al na het lezen van een paar pagina's Alberts zit je er een beetje beduusd bij. Hoe komt dat toch? Drie delen `Verzameld werk' werpen een nieuw licht op de schrijver, historicus en ambtenaar A. Alberts.

Op pagina 292 van het eerste deel van het vorige week verschenen Verzameld werk van A. Alberts begint het verhaal `De berg van Soria'.

Het gaat over twee vrienden, Spanjaarden, in een klein dorp in een kleine provincie. Bruno is garagehouder, Luïs is bakker. Dagelijks zitten ze samen op een bank onder een boom voor de bakkerij. Luïs vertelt over de bouw van zijn huis op een berg, een paar dorpen verderop. Prachtig huis. Eenmaal per week gaat hij er met de bus naartoe. Maar in de loop der tijd laat hij steeds minder los over de voortgang van de bouw. `Klaar? Ach, wanneer is zo'n huis klaar?' De garagehouder krijgt argwaan, al gaat dat met weinig woorden gepaard: `Hij had wel 's avonds tegen zijn vrouw gezegd: Die Luïs is toch een rare kerel. Zijn vrouw had gevraagd: Waarom? en Bruno had gezegd: Ach, zomaar.'

Dan komt de dag waarop Bruno naar de stad moet, een paar haltes verder met de bus die ook Luïs neemt. In het dorp van het huis stapt de bakker uit en loopt hij de berg op. De garagehouder blijft achter. Dan blijkt de bus stuk: `Er was geen gereedschap en er was inderdaad niets aan te doen.' Drie uur wachten op de volgende bus. Bruno draalt en loopt dan zijn vriend achterna. Dan volgt de climax van het verhaal: hij vindt Luïs bij een rotsblok waar deze van het uitzicht geniet. Bruno verstopt zich aan de andere kant van het rotsblok. Geen spoor van een huis. `Hij dacht: Dat is me ook wat. Dat is me verdikkeme ook wat.' Hij sluipt terug naar de bus, vol van spijt over zijn ontdekking. Eenmaal verder op weg, heeft hij een inval: `Hij riep: Waarachtig! Ik heb het natuurlijk niet kunnen vinden. Dat is het! Wat is daar voor natuurlijks aan? vroeg de chauffeur. Zomaar, zei Bruno. Ik moest denken aan het gezicht van Luïs, als ik hem vanavond vertel, dat ik zijn huis niet heb kunnen vinden.'

Dan zijn we op pagina 297 en meer `Berg van Soria' is er niet. En daar zit je dan, een beetje beduusd.

Want waarom beneemt een zo alledaags verhaaltje over twee vrienden, een leugentje, een ontdekking, een dilemma en een uitweg je de adem? De subtiliteit en het ritme van zinnetjes als `Er was geen gereedschap en er was inderdaad niets aan te doen' speelt een rol, maar kan niet alles zijn. Wat is er met deze wereld, dat hij je zo aangrijpt? Wat is het met deze personages, dat ze onder je huid zijn gekropen voordat je een bladzijde hebt kunnen omslaan? Moeizaam geformuleerd – want alles aan Alberts laat zich beter zwijgen dan zeggen – is dat het raadsel A. Alberts. A. Alberts is het mooiste raadsel uit de Nederlandse literatuur.

In die Nederlandse literatuur is Alberts (1911-1995) altijd een buitenstaander geweest. Tijdens zijn studietijd raakte hij bevriend met de latere schrijvers Leo Vroman en Anton Koolhaas, maar tot een literaire stroming heeft hij nooit behoord. Vooral sinds de verschijning van het ook voor televisie verfilmde De vergaderzaal in 1974 verzamelde hij een niet erg omvangrijke, maar buitengewoon trouwe lezersschare. Tot zijn bewonderaars behoorden behalve zijn uitgever Geert van Oorschot – die hem twintig jaar achter de vodden zat om het manuscript van De vergaderzaal los te krijgen – en schrijvers als Rob Nieuwenhuis, Bernlef, K. Schippers en Willem Jan Otten.

Als het over zijn boeken ging was Alberts nog zuiniger met woorden dan wanneer hij zijn boeken schreef. Buitenstaanders die iets over zijn boeken willen zeggen, maken dus al snel omtrekkende bewegingen. Zoals de jury bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs in 1995: `Het is werk dat meer vragen ontlokt dan beweringen. Hem een van de grootste naoorlogse schrijvers noemen is juist, maar klinkt als het over hem gaat pompeuzer dan bij wie dan ook. Het is alsof zijn werk iedere loftuiting enigszins belachelijk maakt, verdacht.' En wie hoopte dat de schrijver in zijn dankwoord een tipje van de sluier zou oplichten kwam bedrogen uit. Hij had het over een onderscheiding die hem was toegevallen `wegens het vertellen van een aantal verhalen, want daar komt het toch in de grond op neer'. Meer had hij er niet over te zeggen en meer heeft hij er ook niet over gezegd. Zeven maanden later overleed hij.

Ook in `De berg van Soria' draait het om wat de garagehouder niet zegt, of eigenlijk om wat er bijna gezegd wordt. Bruno zegt bijna tegen zijn vrouw dat hij denkt dat zijn vriend een leugenaar is. Bijna zegt hij tegen de chauffeur dat hij weet dat zijn vriend een leugenaar is. En je hoeft geen helderziende te zijn om te weten dat hij bijna tegen Luïs zal zeggen dat hij het huis niet heeft kunnen vinden. Niet helemaal. Daar is hij veel te aardig voor.

Dat is het tweede element dat het werk van Alberts domineert. Zijn karakters zwijgen niet uit berekening of omdat ze snode plannen hebben, ze zwijgen omdat ze aardig zijn. Aardig en gevoelig. Zijn beroemdste held, Meneer Dalem uit De vergaderzaal (1974), bevindt zich in de openingsscène van die korte roman in een wezenloos aandoend overleg met mensen die allemaal een grotere mond hebben dan hij. Niemand luistert naar iemand. `Dalem, dacht de secretaris, was iemand, die er uit beleefdheid misschien ook nog wel met zijn gedachten bij zou zijn.' Elders wordt diezelfde Dalem gekarakteriseerd als iemand die de mensen uit laat praten. Dat geldt als een argument waarom hij te licht is voor de echte wereld van zakenlieden en vergaderaars.

Maar niet, wat je zou verwachten, omdat die echte wereld vergeven is van de schoften en smeerlappen. Dalems mede-vergaderaars zijn eerder zakelijk, deugnieten wellicht (ze trappen graag `donderse lol'), maar verder geen kwaaie kerels. Zoals ook de vrienden uit `De berg van Soria' niets kwaads in de zin hebben. Dat is het derde kenmerk van de wereld van Alberts: er is ongeluk, maar er is geen vijand.

Ook het drama in wat Alberts zelf als zijn beste boek beschouwde, de inderdaad hartverscheurende zeeliedenroman De honden jagen niet meer (1979), voltrekt zich zonder kwade genius. Een kapiteinsvrouw ziet het einde van haar jaren op zee naderen. Een `scheepsraad' van haar, de kapitein en hun zoon van twaalf komt bijeen. Alberts beschrijft dat zo: `Er moest worden besloten of de moeder na deze reis thuis zou blijven bij de kinderen. Dat stond eigenlijk al vast, maar er moest toch nog over worden gepraat.' Aan alles kun je zien dat de vrouw aan vaste wal doodongelukkig zal worden. Tegelijkertijd is het besluit onvermijdelijk, de kinderen kunnen niet blijven varen en een van de ouders moet bij ze blijven. Je kunt er nog even over praten, maar zo gaan de zaken nu eenmaal. Er is geen hulp, er is geen vijand, er is niets aan te doen.

Toch interesseert Alberts zich wel degelijk voor macht en malversaties: de historische roman Een venster op het Buitenhof (1987) gaat over wat `de macht van de onbeschaamdheid' wordt genoemd. Hoofdmotief is het politieke spel in de zeventiende-eeuwse Republiek, zoals dat werd gespeeld door de griffier van de Staten-Generaal, Cornelis Musch. Hij is een van de weinige Alberts-karakters met een grote mond en hij baant zich scheldend, tierend en manipulerend een weg door het Haagse leven. Nu loopt het bij Alberts meestal slecht af met mannen met een grote bek, zo ook met Musch.

Een van de redenen waarom er zo weinig aan de wereld te veranderen valt, is dat veel van de beslissingen al genomen zijn. Alberts geeft je steeds het gevoel dat je pas achteraf van de gebeurtenissen op de hoogte wordt gesteld, dat de mogelijkheid om nog een duit in het zakje te doen, uiteindelijk slechts schijn is. Alles is al geschiedenis voordat het is gebeurd.

Geschiedenis is een cruciaal woord bij Alberts. Hij werd in de jaren dertig opgeleid door F.C. Gerretson, de hoogleraar en historicus die in een ander leven de dichter Geerten Gossaert was. In 1958 publiceerde Alberts in De Gids een necrologie over Gerretson. Het stuk is veelzeggend, zowel waar het gaat om de geschiedenis als om de literatuur. Want wie Alberts over Gerretson leest, leest Alberts over Alberts. Bijvoorbeeld wanneer het gaat om `woorden als diamanten, afgewisseld met parels van ironie' maar vooral wanneer hij schrijft over Gerretson als historicus. Waar sommige historici de neiging hebben de kwesties uit hun eigen tijd te projecteren op het verleden, deed Gerretson juist het omgekeerde. Hij bezag het heden vanuit zijn specialisme, de negentiende eeuw; `Hij voorzag de afscheuring van Nederlands-Indië, omdat hij de rebellie van 1830 in zijn eigen leven, in Brussel zag.' Het is het soort omgekeerd-historiserende blik die ook Alberts zelf kenmerkt, de blik die alles dadelijk historiseert, bijna nog voor het gebeurd is.

Wat Alberts over de dichter Geerten Gossaert schreef is, het zal niemand verbazen, aanmerkelijk minder expliciet. Hij heeft het over een `voorname schuwheid' die Gossaert/Gerretson beving als hij moest praten over zijn literaire werk. En over `de eigen ontvankelijkheid en de eigenlijke, de diepste bron, die hij misschien niet wilde kennen en zeker niet wilde noemen.'

Het artikel over Gerretson maakt deel uit van het `verspreid werk' van Alberts in de tweede band van het Verzameld werk. Want hoewel het eerste deel van dat beeldschoon vormgegeven Verzameld werk veruit het belangrijkste is – waarschijnlijk zijn er niet eerder 750 pagina's Nederlands proza van grotere subtiliteit en zeggingskracht in één band verzameld – is het maar een derde van het geheel. De andere twee delen verhelderen het beeld van de literator Alberts en tonen ons twee andere gezichten. De romancier Alberts, die je de zwijger (eigenlijk natuurlijk de bijna-zwijger) zou kunnen noemen, krijgt zo gezelschap van de historicus Alberts, die je de prater zou kunnen noemen en – in de memoires en beschouwingen – de ambtenaar Alberts, die weet wanneer te spreken en wanneer te zwijgen. Die laatste is overigens nauw verwant aan de humorist Alberts, maar die verdient een aparte beschouwing.

De historicus Alberts, zoals die naar voren komt in de drie `historische vertellingen', bedrijft klassieke vertellende geschiedschrijving over de Nederlandse geschiedenis van de zeventiende en achttiende eeuw. Soepel doet hij allianties, beleidskeuzen en veldslagverlopen uit de doeken. Opgeruimd, zoals een goede geschiedenisleraar dat zou doen. Bijvoorbeeld als hij schrijft over de maatregelen die de Franse koning Lodewijk XIII trof voor zijn opvolging, met buitensluiting van zijn echtgenote, die hij haatte. `Daarom waren die maatregelen noch zeer billijk, noch zeer verstandig.' (in Een koning die van geen nee wil horen, 1976).

Alberts' geschiedenisboeken zijn helder en spannend, maar ze benaderen nergens de intensiteit van zijn fictie – daarvoor houdt hij net wat te veel (historische) distantie. Het vrolijke vertellen gaat soms gepaard met een algemene karakterisering, zoals deze van de Nederlanders uit De huzaren van Castricum (1973) die onwillekeurig aan Alberts zelf doet denken: `Men heeft een beetje de neiging om neer te zien op mensen die zo bedachtzaam zijn in hun doen en laten dat het bijna geen doen meer is en alleen maar laten.'

Die bedachtzaamheid van de Nederlander is in grote lijnen die van de diplomaat. En diplomaat, of ambtenaar, zoals hij zelf meestal zei, is A. Alberts een groot deel van zijn leven geweest. Naar eigen zeggen is hij het ook `altijd gebleven'. Als een ambtenaar één ding moet kunnen, is het weten wanneer hij moet praten en wanneer hij moet zwijgen. En hij moet zich ermee verzoenen dat zijn activiteiten voor niets kunnen zijn. Boven hem staat een weliswaar niet kwaadwillende, maar onoverzichtelijke macht die alles kan doorkruisen. Voor iedere tekst staat een onderste lade gereed. Zoals in Alberts' fictie bij iedere daad de vergeefsheid op de loer ligt.

De ambtenaren in het werk van Alberts laten zich niet ontmoedigen. Sterker, de mogelijke vergeefsheid van al hun inspanningen lijkt hun eerder extra energie te geven. Dat heeft te maken met hun dubbele identiteit. In het diepst van hun gedachten zijn zij wellicht geen god, maar ook geen klerk. In iedere ambtenaar schuilt een anarchist. Dat uit zich door kleine verzetsdaden als het ostentatief niet-aanzetten van een gehoorapparaat maar bijvoorbeeld ook in de vasthoudendheid van de held in `Groen', het openingsverhaal uit Alberts' Indische debuutbundel De eilanden. Deze ambtenaar probeert de grens van het bos dat hem omringt te bereiken. Hij slaagt, al blijft hij niet lang: `Het moet nu mooi genoeg zijn. Ik weet nu, wat er achter het bos ligt en dat moet maar genoeg zijn. Ik ben achter het bos. En dan draai ik me om naar het bos.' Niet alleen het bos, ook de opstandigheid heeft een grens.

Maar in één van zijn `memoires en beschouwingen' kende Alberts' opstandigheid geen grenzen. De anarchist kreeg vrij baan in Op weg naar het zoveelste Reich, een in 1990 gepubliceerd pamflet tegen de Duitse eenwording. Tégen de Duitse eenwording? Een kanslozer onderneming was in 1990 nauwelijks denkbaar. Toch schreef en publiceerde hij deze geschiedenis van de Duitse landen, om duidelijk te maken dat de toestand van Duitse eenheid niet normaal is, maar een romantisch verlangen met in de loop van de geschiedenis vervelende gevolgen. Geen vlammend betoog, maar een feitelijke uiteenzetting die begint bij Karel de Grote en eindigt bij `die smeerlap uit Braunau'. Aan het Derde Rijk ontleent hij geen argumenten, hij vindt een manier om er bijna niets, en toch vrij veel over te zeggen: Hij drukt Paul Celans gedicht `Todesfuge' (`Der Tod ist ein Meister aus Deutschland') integraal af. Inderdaad een manier om er bijna iets over te zeggen.

Dat het boekje niets zou uithalen, wist Alberts ook wel. Hier is een ambtenaar bezig een vergeten la open te wrikken om er helemaal onderop zijn eigen tekst in te stoppen en hem dan weer af te sluiten. Al in de openingszinnen heeft hij het over `ernstige pogingen tot een hereniging van de beide Duitslanden', waaraan hij onderkoeld toevoegt: `zo ernstig, dat het ervan is gekomen'. Waarom dan toch dat pamflet geschreven? Het antwoord op die vraag raakt aan de kern van het raadsel A. Alberts en heeft te maken met het eerder aangehaalde citaat uit De honden jagen niet meer: `Dat stond eigenlijk al vast, maar er moest toch nog over worden gepraat.'

Hoe nutteloos ook, er moet nog over worden gepraat. Want hoe weinig illusies Alberts' aardige helden zich ook maken in hun moeizame levens zonder herkenbare vijanden, toch houden ze steeds een vorm van moed. Ook als het niet helpt, kun je, moet je nog een keer praten, moet je het nog een keer bijna zeggen, moet je iets laten zien. Dat maakt uiteindelijk dat je het volhoudt. Er is een bosgrens om van te dromen.

Die vasthoudendheid, vaak zonder uitzicht op verbetering, lijkt Alberts' mooiste karakters tragisch te maken, beklagenswaardig. Maar tegelijkertijd geeft het ze een waardigheid waarvan je weet dat ze zich die ook niet meer af zullen laten pakken. Zonder het te weten, zijn ze optimisten gebleven. Zoals er in de `oplossing' die garagehouder Bruno in de bus bedenkt, nog een laag van vage hoop zit. Want het zou natuurlijk kunnen, dat het waar is: dat het huis wél bestaat, maar dat Bruno het alleen niet heeft kunnen vinden.

Alberts laat het hem bijna denken.

A. Alberts: Verzameld werk. 1 Romans en verhalen. 2 Historische vertellingen en verspreid werk. 3 Memoires en beschouwingen. Bezorgd door Gillis Dorleijn en Mirjam van Hengel. Drie delen in cassette. G.A. van Oorschot, 758 + 848 + 608 blz. €89,–

Aan A. Alberts is een uitgebreide website gewijd, te vinden op www.hjansen.info