Een vloek op alle voorstellingen

Het Amsterdams Kleinkunstfestival brengt begin april een hommage aan het Nieuwe de la Mar-theater. Het theater, dat voortdurend streed om te overleven, gaat eind dit jaar dicht.

De renovatie kon niet langer meer wachten. De toneeltoren moest hoger worden, de foyer moest worden verbouwd, er was dringend behoefte aan betere laad- en losfaciliteiten en er was een nieuwe zaalinrichting met nieuwe stoelen nodig. ,,Ik heb wel eens gedacht: als de mensen maar niet door hun stoelen zakken'', beaamt directeur Jeannette Smit. Maar de gemeente Amsterdam kon de vereiste 2,3 miljoen euro voor zo'n renovatie niet op tafel leggen. Sterker nog: het Nieuwe de la Mar-theater wordt gesloopt. Het moet, samen met de naburige bioscopen Calypso en Bellevue Cinerama, plaatsmaken voor een nieuw theatercomplex dat volgend jaar voor 20 miljoen euro wordt gebouwd door de VandenEnde Foundation. En daarmee eindigt een geschiedenis die in 1947 begon. Of eigenlijk al veel eerder.

Het gebouw aan de Marnixstraat, vlak om de hoek van de Stadsschouwburg aan het Leidseplein, begon zijn bestaan in de eerste helft van de twintigste eeuw als Spieghelschool. Tot het als schoolgebouw werd afgekeurd en alleen nog dienst deed als opslagruimte. Tijdens de bezetting bood het pand onderdak aan de administratie van de Arbeitseinsatz, de gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Een bronzen beeldje en een plaquette aan de buitenmuur, ontworpen door Hildo Krop, herinneren aan de bomaanslag die hier in januari 1945 door een verzetsgroep werd gepleegd om de administratie te vernietigen. ,,Wij juichen dit initiatief van de verzetsbeweging van harte toe'', schreef het illegale blad De Nieuwe Amsterdammer een paar dagen later – nog niet wetend, dat er vervolgens zes mannen voor de deur zouden worden gefusilleerd. Het pand brandde gedeeltelijk af en was na de bevrijding een bouwval.

Geen wonder dat het Amsterdamse college van B&W in 1946 graag inging op het plan van de bouwondernemer Piet Grossouw om er op eigen kosten een theater van te maken. ,,Aangezien aan een dergelijke schouwburg behoefte bestaat en tevens op een punt, vrijwel in het centrum van de stad, een ruïne wordt opgeruimd, bestaat bij ons tegen inwilliging van het verzoek geen bezwaar'', aldus het voorstel aan de gemeenteraad. Grossouw had een bijzondere reden voor de bouw van het theater: hij wilde zijn echtgenote, de gerenommeerde actrice Fien de la Mar, een eigen podium geven. In de hal kwam het schilderij te hangen dat er tot op de dag van vandaag hangt: de toneelspeler Nap de la Mar, haar vader, in de rol van Napoleon. Bovendien besloot zij het nieuwe theater zijn naam te geven.

Gezellig

Toen het De la Mar-theater op 31 juli 1947 werd geopend, keek de Amsterdamse beau monde zich de ogen uit. ,,De gasten worden ontvangen in een zeer ruime, witte hal waar schilders exposeren'', meldde Het Parool. ,,Via de trap komen ze terecht in een fraaie, gezellige, in rood en blauw geverfde theaterzaal met driehonderd stoelen.'' En het Algemeen Handelsblad verwelkomde ,,een cultureel centrum, dat een eigen plaats in het beroeps- en amateurtoneelleven van de hoofdstad kan gaan innemen''. Fien de la Mar fungeerde als bedrijfsleidster en speelde zelf de hoofdrol in alle stukken die er werden gespeeld.

Maar erg lang hield ze het niet vol. De meeste stukken trokken lang niet genoeg publiek. Volgens de overlevering klaagde Fien de la Mar eens haar nood tegen de cabaretier Wim Sonneveld, die destijds het Leidsepleintheater bespeelde: ,,Ze komen wel bij jou, in die drollenhoek, en in mijn bonbonnière blijven ze weg.'' In het bijgelovige toneelwereldje ging zelfs de mare dat de gefusilleerde verzetsmannen nog geregeld in het theater kwamen spoken, waardoor er een vloek op alle voorstellingen rustte. Waarschijnlijker is echter dat het met 300 zitplaatsen nooit mogelijk is geweest om het theater winstgevend te exploiteren.

Na een paar jaar gaven de heer en mevrouw Grossouw het op. Des te pijnlijker moet het voor hen zijn geweest dat juist Wim Sonneveld de volgende huurder werd. Samen met de theaterexploitanten Paul Kijzer en Piet Meerburg diende hij bij de gemeente een nieuw bespelingsplan in, waarbij de bouw van een balkon het aantal zitplaatsen tot bijna 500 zou uitbreiden. Met enige argwaan jegens dit commercieel geachte drietal stelde de gemeente strikte voorwaarden: niet alleen amusement, maar ook gesubsidieerd toneel – gelijk verdeeld over het hele seizoen. Pas toen de heren Kijzer, Meerburg en Sonneveld dat plechtig hadden beloofd, konden ze het theater voor 12.000 gulden per jaar huren. Om duidelijk te maken dat er een nieuw bewind heerste, kozen ze ook in de naamgeving voor vernieuwing: voortaan heette het het Nieuwe de la Mar-theater. Fien de la Mar toonde zich daarover dermate beledigd, dat ze nooit meer een stap in het theater heeft gezet.

Sonnevelds vriend Friso Wiegersma, die decorontwerper was, gaf het interieur een vrolijker voorkomen. In het tegenoverliggende Hirsch-gebouw wist hij een paar kroonluchters van de sloop te redden, hij kocht oude theateraffiches in Frankrijk, vond in een tweedehandswinkel een voorraad Victoriaanse stoeltjes voor de foyer en schafte een paar Thonet-tafeltjes aan – voor een rijksdaalder per stuk, zoals hij in een jubileumboekje bij het vijftigjarig bestaan van het theater vertelde. De heropening vond plaats op 23 december 1952. ,,Wij menen niet te veel te zeggen als wij beweren dat het een van de charmantste theaters van de hoofdstad is geworden'', oordeelde Het Parool de volgende dag.

Makkelijk kregen de drie nieuwe huurders het echter niet. Na een aarzelende start trok het cabaret voldoende publiek, maar het gesubsidieerde toneel trok zelden een volle zaal. En dat drukte zwaar op de jaarrekening, omdat er ,,op partage'' moest worden gespeeld. De gezelschappen betaalden geen huur voor de zaal, maar deelden de kassa-opbrengst met het theater. ,,Om aan onze verplichtingen te voldoen, klom ik elk jaar maar weer het toneel op om onze balans in evenwicht te houden'', zei Sonneveld later.

Nieuwspagina's

Jarenlang is het driemanschap er desondanks in geslaagd het Nieuwe de la Mar-theater overeind te houden. Een van de nieuwe vaste bespelers werd Wim Kan (die er ook zijn oudejaarsavondconferences opnam) en voorts gingen de musicals van Annie M.G. Schmidt hier in première. Een foto van de lange rij wachtenden voor de kassa van Heerlijk duurt het langst, in 1965, haalde zelfs de nieuwspagina's van de kranten. En ook toneel en ballet bleven op het programma staan.

Maar in de loop van de jaren tachtig werd het niettemin minder. Sonneveld en Kan waren overleden, andere groten verhuisden naar Carré, het publiek vergrijsde, de kosten stegen. Met als gevolg, dat het laatste ongesubsidieerde theater van Nederland toch bij de gemeente moest aankloppen. Aanvankelijk zonder succes, want er leek geen geld te zijn om de exploitatie over te nemen. Tot de toenmalige wethouder Minnie Luimstra een ,,gelukkige vergissing'' maakte, zoals het jubileumboekje dat noemt. Omdat ze meende dat de achterkant van het gesubsidieerde theater Bellevue aan de Leidsekade via een achtertuin grensde aan het Nieuwe de la Mar-theater, liet ze de Theatercombinatie Bellevue/Nieuwe de la Mar oprichten – met een gezamenlijke staf en een gezamenlijk budget. Het leek de betrokkenen verstandiger te verzwijgen dat Bellevue in werkelijkheid aan de bioscopen naast het Nieuwe de la Mar grenst.

Het samengaan van de twee theaters leidde tot succes. Tot een paar jaar geleden duidelijk werd, dat er nu echt ingrijpend moest worden gerenoveerd. Al in 1999 zag de toenmalige directeur Hanneke Rudelsheim zich gedwongen het plafond van de foyer, recht onder de zaal, te laten stutten, omdat het tijdens een optreden van de rock-troubadour Frank Boeyen vervaarlijk begon te golven. Een hoognodige airconditioning in de veel te hete zaal kon nog worden bekostigd uit een serie masterclasses en een opslag van een euro op de kaartjes, maar verder reikten de financiële mogelijkheden niet.

Maar wederom was er volgens de gemeente geen geld voor een renovatie. Wat de huidige directie van de theatercombinatie toen echter nog niet wist, was dat wethouder Hannah Belliot allang met mecenas Joop van den Ende overlegde over de bouw van een particulier theatercomplex met drie zalen. Achteraf bood Belliot haar excuses aan voor het gebrek aan communicatie, maar de zaak was toen al beklonken. De VandenEnde Foundation wordt eigenaar en exploitant van het nieuwe – tot dusver naamloze – complex. ,,We hebben ons bij het onvermijdelijke neergelegd'', zegt directeur Jeannette Smit. ,,Het heeft geen zin te blijven mokken.'' Volgend jaar trekken zij en de meeste medewerkers zich terug op het Bellevue-theater, dat blijft zoals het is.

Dit is het laatste jaar. Op 10 april organiseert het Amsterdams Kleinkunstfestival, dat hier zo vaak werd gehouden, een hommage aan het Nieuwe de la Mar-theater. En na het reguliere aanbod van toneelvoorstellingen, muziek en amusement is Freek de Jonge in december de allerlaatste bespeler. Freek doet de deur dicht heet die voorstelling dan ook.

Hommage aan het Nieuwe de la Mar-theater, 10/4, met Tony Neef, Ellen Evers, Rob van de Meeberg, Sara van Dijk, Paul van Ewijk, Stan Limburg en Arie Cupé als Fien de la Mar. Inl. (020) 5305302, www.amsterdams-kleinkunst-festival.nl