De tijd wordt betrapt

In mijn middelbare schooltijd was ik gewend om gedichten hardop te lezen. Ooit ben ik daarmee opgehouden, maar bij lezing van de nieuwe bundel van H.C. ten Berge verviel ik als vanzelf weer in die dweperige gewoonte. `In de Piazzolla-straat' heet de eerste cyclus en, inderdaad, de vijf gedichten van die reeks gaan over het dansen van de tango. Klank volop dus, maar bij verder lezen merk je dat dit niet per se aan het onderwerp gebonden is. Ten Berge, de straffe belijder van de intellectuele dichtkunst, deze zelfverklaarde tegenstander van de ik-lyriek, heeft zich stilaan ontwikkeld tot een lyricus pur sang. Die ontwikkeling kwam niet uit de lucht vallen. In 1983 al zette de dichter zich in Texaanse elegieën aan de harp, en ook in Liederen van angst en vertwijfeling (1988) werd de poëzie vooral door klank gedragen. Zeventien jaar later blijkt de melodie volgroeid in Het vertrapte mysterie.

Er wordt dus volop gezongen, maar dat betekent allerminst verraad aan de intellectuele intentie. Het taalarsenaal van Ten Berge reikt van het Azteeks en het Inoektitoet, via het mystieke Middelnederlands van Hadewijch tot het beeldende Engels van de dichteres H.D. Het onderwerp van zijn verzen is al even nomadisch. In Het vertrapte mysterie wordt de tango bezongen, de tijd betrapt, een dichtersliefde in documenten gevat, poëzie van H.D. en Ovidius bewerkt, een schipbreuk hernomen, een droom herhaald en een fabel verteld. Een stampvolle bundel, maar zo beeldend dat veel beklijft.

`Ontheemding van de ongetemde geest' heet een gedicht. Bij zo'n titel kun je je alles voorstellen, en de eerste drie coupletten dragen bij aan de desoriëntatie. Verdwenen totems, emblemen van arend, heilbot en hermelijn, Kikker-in-Vuur en een onheilbrengend lied van de sjamaan passeren in zeventien regels de revue. Het gedicht is dan halverwege en de lezer is geïntrigeerd, maar volstrekt ontheemd. Op dat ogenblik scharniert de tekst en brengt Ten Berge zichzelf en zijn lezers thuis.

Zoals je eens aan de Pacific

naar de sporen

van verloren stammen staarde,

in de regen op het smalle strand van

Bella Coola

tussen afval en karkassen bivakkeerde,

langs de oevers van de wilde Kispiox op zwarte vliegen,

tubes ketchup en verroeste vaten stuitte –

zag je thuis, algauw

weer ingepolderd en bevangen,

dat de boomgaard naast de sloot

waar de appels als emblemen aan de takken hingen

en een specht insecten uit de boombast klopte,

waar boer Ligthart fruit voor zakken

eikels ruilde

en de varkens zielsgelukkig in de modder

knorden

dat de boomgaard naast de sloot,

Ligtharts hoeve De Zes Wielen en de kevers voor de specht

onder trieste asfaltpleinen waren platgewalst

en weggevaagd.

Geen behouden thuiskomst, maar een venijnig einde nadat in sussende regels een idyllisch droombeeld is opgeroepen. Ten Berge kent de effectvolle kracht van het woord en de toon.

De rijkdom van Het vertrapte mysterie noodde me tot herlezing van het eerdere werk. Daarbij haakte de blik al snel aan het gedicht `Maker & Model', dat Ten Berge in 1973 opnam in De witte sjamaan. De beginregels daarvan noemen `Het gedicht een zo leeg/ mogelijk beeld van de maker/ dat daarin samenvalt met zijn model.' Tweeëndertig jaar later lijkt deze omschrijving niet meer van toepassing op Ten Berges dichtwerk. De persoonlijke emotie, die in `Maker & Model' wordt afgewezen, ontbreekt nog altijd in zijn poëzie, maar van beeldende kaalslag is geen sprake meer. Integendeel, Het vertrapte mysterie, is een filmisch arsenaal, waarin niet het denken de voortgang bepaalt, maar het kijken.

Indrukwekkend vind ik de cyclus `Hutkaap, een schipbreuk', die in een eerdere versie als epiloog bij de novelle Matglas fungeerde. Vreemdganger in dit verslag van een Zuidpoolexpeditie is de Inoek wiens sagen tweemaal van pool tot pool reizen, maar die intermezzi passen heel wel in de sfeer van de cyclus. Werkverslagen, logboekfragmenten – al dan niet in heuse scheepstaal – en mythische elementen wisselen elkaar verrassend af. En ook hier is weer prachtig gekeken, zoals in het slot van `Ei':

Als een ei breekt de zee voor mij

open (daarachter een wasachtig lichaam, een

diepdruk in gras). Het zonlicht traant

en schittert in berijpte trossen.

Het lijkt tijd voor een openlijke herwaardering van Ten Berges dichterschap. Dat is groot en veelzijdig. Zijn bronnen zijn ongebruikelijk en dan ook niet eerder in de Europese poëzie gebruikt. Zijn intenties zijn ernstig, maar zijn uitwerking schuwt niet de humor. `Het grote lak', de fabel die Het vertrapte mysterie afsluit, is daar een geestrijk voorbeeld van; maar ook elders in de bundel is er im- en expliciete satire. En dan al die weelde van taal en beelden. Wanneer krijgt zo'n dichter nou de P.C. Hooftprijs?

H.C. ten Berge: Het vertrapte mysterie. Meulenhoff, 115 blz. €16,50