Christus zonder kruis

Volgens het Thomas-evangelie ging het Jezus niet om zijn dood en opstanding, niet om de vestiging van Gods Rijk op aarde en niet om het hiernamaals. Hij was een wijsheidsleraar, een mysticus met een boodschap.

Jezus Christus was een joodse wijsheidsleraar die een mystieke gemeenschap wilde stichten. Deze leraar van `verinnerlijking en oplettendheid' preekte vooral in de vorm van gelijkenissen en gedichten. Het streven van Jezus was naar mystieke inwoning van God in de mens – zo ongeveer als de middeleeuwse en oosterse mystici: `Ik ben Gij'. Aldus de Utrechtse kerkhistoricus Gilles Quispel in zijn nieuwste boek over het Evangelie van Thomas. Het Evangelie van Thomas is een lijst met 114 uitspraken van Jezus, die – samen met 51 andere oude teksten – in 1945 bij Nag Hammadi in het Egyptische woestijnzand is gevonden. Daar waren ze eind vierde eeuw na Christus verborgen. Jezus-vorsers nemen het Thomas-evangelie van alle apocriefe evangelies (de verhalen over Jezus die niet in het Nieuwe Testament zijn gekomen) het meest serieus. Maar ook buiten de wetenschap wordt het Evangelie grif gelezen.

Gilles Quispel heeft een bijzondere band met het Evangelie van Thomas. In de jaren vijftig wist hij deze in het Koptisch geschreven tekst van antiquairs te kopen, waarna hij samen met anderen de wetenschappelijke uitgave ervan verzorgde. In kringen van nieuwtestamentici en andere geïnteresseerden sloeg dit evangelie indertijd in als een bom. Want ook al lijken sommige uitspraken in deze tekst erg op die in de bekende evangelies, voor de rest klonk voor het eerst luid en duidelijk een andere stem van Jezus dan uit de bijbel bekend is. Wat bijvoorbeeld te denken van de ultrakorte uitspraak (`logion') 42 in Quispels nieuwe vertaling: `Jezus zegt: Wordt zwervers' (vaak vertaald als `wordt voorbijgangers'). Of neem: `Wie de wereld heeft leren kennen, heeft een lijk gevonden en wie een lijk heeft gevonden is de wereld te boven gekomen', (logion 56). Of: `Wie alles kent, behalve zichzelf, weet niets' (logion 67)? Niet voor niets spreekt Quispel van een haast boeddhistisch christendom.

Het ging Jezus volgens Quispel niet om zijn dood en opstanding, niet om de vestiging van Gods Rijk op aarde, niet om het hiernamaals en niet om boetedoening, niet dus om al die zo bekende elementen die nu het christendom vormen. Het ging Jezus om het innerlijk licht dat hij voor het eerst ervoer bij zijn doop in de Jordaan, door Johannes de Doper. `Toen werd hij zich bewust van zijn diepste wezen. Hij was een verlicht mens geworden', schrijft Quispel.

Gnosis

Jezus was – alweer in de woorden van Quispel – ook geen `eschatologische dwaas die een einde voorspelde dat niet kwam', zoals de meeste moderne historici juist wel vermoeden. En Jezus was al helemaal geen opstandeling tegen de Romeinse bezetting, zoals sommige anderen menen. Nee, Jezus was wijsheidsleraar, een mysticus met een boodschap. Dat is de diepe overtuiging van Quispel. En om dat nog eens nadrukkelijk voor het voetlicht te brengen, publiceerde deze inmiddels 88-jarige veteraan een geheel nieuwe vertaling met uitgebreide toelichting van het Evangelie van Thomas. Het is een fascinerend en prikkelend boek geworden.

Quispel is al decennia lang een centrale figuur in het niet onaanzienlijke Nederlandse onderzoek naar het vroege christendom, maar hij is ook belangrijk in de wereld van `spiritueel' geïnteresseerden in gnostiek en `ander christendom'. Hij schreef veel artikelen in esoterische publiekstijdschriften als Prana en Bres. Het Evangelie van Thomas is echter een wetenschappelijk boek. Maar ook daarin komt de pastoraal-religieuze kant van Quispel naar voren en wel in het dweperige voorwoord van Joost Ritman, de stichter van de Amsterdamse Bibliotheca Philosophica Hermetica die het boek heeft uitgegeven. `Gilles', zo spreek Ritman Quispel toe, `zo hebben wij de gouden sleutel gesmeed die toegang geeft tot een totaal nieuwe belevingswereld van de Christelijke Hermetische Gnosis.'

Hoe dat ook zij, het Evangelie van Thomas is de ideale basistekst voor Quispels betoog over de mogelijkheid van een `Christendom zonder Kruis', zoals dat volgens hem door de directe volgelingen van Jezus werd gepraktiseerd in het joodse christendom. Want in dat vroege joodse christendom staan volgens Quispel niet de dood en opstanding van Christus centraal – zoals in vrijwel alle moderne varianten van het christendom – maar Christus' wijsheidsleer. In het Thomas-evangelie ontbreekt iedere verwijzing naar de opstanding. Naar de dood van Jezus wordt maar een enkele keer indirect verwezen. De inhoud, `uitspraken' zonder handelingen of gebeurtenissen, zijn in lijn met de (joodse) oudtestamentische wijsheidsboeken, zoals Spreuken, Wijsheid van Salomon en Jezus Sirach.

De grote vraag is of dit Thomas-evangelie `authentiek' is en werkelijk teruggaat op uitspraken van Jezus, en niet een of ander laat verzinsel is. Volgens Quispel – en de meeste andere kerkhistorici – is het Thomas-evangelie geworteld in het door de geschiedschrijving zo vaak verwaarloosde vroege joodse christendom, dat zich concentreerde in Egypte, Judea en Edessa. `De lezer moet goed begrijpen', zo doceert Quispel, `dat het Nieuwe Testament een zeer eenzijdig beeld schetst van het oerchristendom omdat het vooral oog heeft voor de apostel der heidenen [Paulus], die eindigt in Rome. Edessa en Alexandrië vallen buiten de horizont van de schrijvers.'

Met klem beargumenteert Quispel dat een groot deel van dit Thomas-evangelie teruggaat op een verzameling uitspraken van Jezus die kort na zijn dood op schrift moeten zijn gesteld (ca. 40 na Chr.). En zo gaat Quispel heel ver in de vroege datering van deze naamloze bron. Het Thomas-evangelie zou daarmee in één klap de oudste kennis over Jezus bevatten. Ter vergelijking: de brieven van Paulus zijn uit de jaren 50 na Chr., de gemeenschappelijke bron `Q' van het Lucas- en Mattheüs-evangelie wordt op 60 na Chr. en het Marcus-evangelie (de andere gemeenschappelijke bron van Lucas en Mattheüs) op ca. 70 na Chr. gedateerd. Het Johannes-evangelie dateert van nog later.

Aalmoes

Veel van Quispels commentaar bestaat uit een ragfijn filologisch spel om aan te tonen dat de uitspraken van Jezus uit Thomas die ook in de andere evangeliën voorkomen ouder zijn, en dus niet uit die reguliere evangelies zijn overgenomen. Een fraai en overtuigend voorbeeld daarvan geeft Quispel bij Logion 41, dat overeenkomt met een beruchte tekst uit Marcus 4:25. Daar staat `Want wie heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft zal zelfs het laatste worden ontnomen' (zie ook Mt 13:12 en 25:29 en Lc 8:18 en 19:26). Zo genomen is dat een onbegrijpelijke opmerking, volkomen in strijd met het mededogen met de armen dat verder zo dominant is in de evangelies.

In het Evangelie van Thomas staat het net iets anders: `Jezus zegt: wie heeft in zijn hand, hem zal gegeven worden en wie niet heeft, zelfs het weinige dat hij heeft zal hem ontnomen worden'. De clou zit hem in het `in zijn hand'. Onder verwijzing naar de uitdrukking `in de hand' in Samuel 9:8, betoogt Quispel dat hier bedoeld wordt: een aalmoes in de hand, klaar om te geven. Wie geen aalmoezen geeft zal dus alles worden afgenomen. Kennelijk is die hand in de rest van de overlevering weggevallen, met een omgekeerde betekenis als gevolg. Thomas heeft als enige de originele uitspraak.

Overigens is volgens Quispel het Thomas-evangelie in de huidige vorm wel relatief laat opgeschreven, ca. 130 à 140 na Chr. Het werd toen onder de naam van de dan al lang overleden apostel Thomas samengesteld op basis van de eerder genoemde extreem vroege joods-christelijke bron en een tweede verzameling uitspraken van Jezus die omstreeks 90 à 100 na Chr. in Alexandrië zou zijn opgeschreven, in een streng ascetisch maar evenzeer joods-christelijk milieu.

Mede door al die diepe wortels is het Thomas-evangelie de belangrijkste tekst uit de Nag Hammadi-bibliotheek. De integrale vertaling van al deze 52 koptische teksten is nu in een fraaie herziene en eendelige editie verschenen van de hand van Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans, met een voorwoord van Quispel. De eerste druk in twee delen stamt uit 1994/1995.

De andere teksten uit de Nag Hammadi-collectie zijn minder oud dan het Thomas-evangelie, al gaan sommige wel terug tot de tweede eeuw. Ze geven dan ook vooral inzicht in iets latere ontwikkelingen – in de tweede en derde eeuw na Chr. – van het vroege christendom, niet in de `oertijd' zoals het Thomas-evangelie. Te midden van de vaak barokke gnostische mythologieën in de andere Nag Hammadi-teksten (over het conflict tussen de meestal kwaadaardige scheppende god en de ware god op afstand, of over de in de mens gevangen geraakte goddelijke vonk die bevrijd moet worden) maakt het Thomas-evangelie met zijn lijstje van 114 korte uitspraken dan ook een verstilde indruk.

Gilles Quispel: Het evangelie van Thomas. In de Pelikaan, 380 blz. €28,–

Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans: De Nag Hammadi Geschriften. Een integrale vertaling van alle teksten uit de Nag Hammadi Codices en de Berlijnse Codex. Ankh-Hermes, 1200 blz. €49,50