Verzet tegen de inwendige lomperd?

Toen ik een jongen van een jaar of tien was, viel thuis aan tafel wel eens de naam van Hermann von Keyserling. Dat was een schrijver uit een Duits-Baltisch grafelijk geslacht, wiens cultuur-filosofische reisverhalen toen opgang maakten. Mijn vader had, geloof ik, sommige van die boeken in zijn kast staan en ging ook wel naar zijn lezingen, wanneer Keyserling in Amsterdam was.

Aan die populariteit kwam, althans in Nederland, een eind toen er een boek verscheen waarin hij schreef dat de Nederlandse vrouwen lelijk waren. Dat had ik allemaal natuurlijk slechts van horen zeggen, maar onlangs had ik de gelegenheid dit te verifiëren.

Eigenlijk was ik op zoek naar de boeken van een oom van hem, de schrijver Eduard von Keyserling (1855-1918), wiens romans Thomas Mann aan die van Toergenjev gelijkstelde. De verfilmde versie van een van die romans (Wellen uit 1911) had mij nieuwsgierig gemaakt, en bij het zoeken in een bibliotheekcatalogus stuitte ik op die andere Keyserling. Laat ik eens kijken wat hij werkelijk over Nederland geschreven heeft, dacht ik.

Na enig zoeken kwam ik het bewuste verhaal tegen. Het is een hoofdstuk in het boek Das Spektrum Europas (1928) en blijkt nog erger dan ik me (van horen zeggen) herinnerde: ,,Ik ken slechts één cultuurkring in Europa waar er een cultuur van de lelijkheid is: dat is de Nederlandse.'' Dus de lelijkheid beperkt zich hier niet tot de vrouwen.

De Nederlandse schilders uit de zeventiende eeuw gaven, volgens hem, overal de voorkeur aan het lelijke. Hij noemt de ,,afschuwelijke vrouwenlijven'' van Rubens. Nu, die van Rembrandt zijn ook geen voorbeelden van klassieke schoonheid. Maar vergis je niet: Nederland heeft op basis van die lelijkheid ,,een hoge cultuur voortgebracht. In zoverre heeft het een grotere triomf bereikt dan Griekenland''. Ja, hun lelijkheid is ,,vergeestelijkte schoonheid''.

Zo moeten we dus Keyserlings karakterisering eigenlijk als een compliment beschouwen! En onze omgangsvormen (die behoren ook tot de cultuur)? Onder de ,,meest beschaafde Hollanders'' heeft hij ,,uitbarstingen van vlegelachtigheid'' meegemaakt. En onze taal? Bij oppervlakkige beschouwing kan een Duitser alleen maar denken dat die ,,eens in herengezelschap tegen 's ochtends drie uur uitgevonden is''.

Maar dan komen de complimenten weer. Hij weet geen beter woord om de Nederlandse cultuur te kenschetsen dan het Franse woord cossu, wat welgesteld, bemiddeld, in goeden doen betekent. Hij denkt dan vooral aan de ,,Amsterdamse patriciërs'' – wat hij daar ook onder mag verstaan. In elk geval niet de adel, want die is niet representatief voor de ,,Hollandse cultuur'' en betekent hier niets, zegt hij.

Die `patriciërs' evenwel zijn weliswaar ,,ungeistig, unproblematisch, weltzugekehrt in jedem Sinn, doch durchaus Kulturtypen''. De Nederlandse oerstof is bijzonder ruw, daarom kon slechts een sterke geest hem beteugelen. De ,,Hollandse schoonheidscultus is eigenlijk verzet tegen de inwendige lomperd''. Maar ,,de geest van dit oergermaanse volk is romaans'', immers gevormd door de onvermijdelijke Calvijn.

Weliswaar zijn ,,de Hollandse mannen, op een enkele uitzondering na, als puriteinen niet serieus te nemen'', maar de vrouwen des te meer. En dan komt Keyserling te spreken over hun ,,buitengewoon gebrek aan bekoorlijkheid'' al te zien in Frans Hals' regentessenstukken – dat echter goedgemaakt wordt door hun huwelijkstrouw (hoe weet hij dat?), hun nuchterheid, hun invloed in het openbare leven.

En zo gaan de diepzinnige verklaringen nog een tijdje door. Ik weet niet of zij zelfs voor de jaren '20 al enige waarde bezaten. Bovendien ben ik als Nederlander te veel partij om hier onbevooroordeeld over te kunnen oordelen. Wel geloof ik dat, als Keyserling nu in Nederland zou terugkeren, hij, althans wat het vrouwelijk schoon betreft, zijn oordeel zou herzien. Zijn de vrouwen mooier geworden of is ons schoonheidsideaal veranderd?

Een ander boek van Keyserling kreeg ik ook in handen: Das Reisetagbuch eines Philosophen (1919). Het is het reisverslag van een wereldreis die hij kort vóór de Eerste Wereldoorlog maakte. Het ruim 600 pagina's dikke boek heb ik niet helemaal gelezen. Alleen wat hij over Amerika zegt. Dat is nog verrassend actueel, vooral in wat hij over de invloed van de religie schrijft.

Gods genade op aarde is te meten aan het materiële succes dat iemand heeft. Daar zijn bijna alle Amerikaanse kerken het over eens. De Gode welgevallige moet rijk worden, want wie niet rijk wil worden, woekert niet met zijn talent. Die boodschap kunnen we nog elke zondagochtend van de Amerikaanse dominee Schuller op de televisie horen, en president Bush gelooft er heilig in.

Daarmee vindt, zegt Keyserling, een geestelijk ideaal zijn belichaming in een wereldlijk streven, zij het in simplistische vorm. Niet dat Keyserling zich dit geloof eigen heeft gemaakt hij is gevoeliger voor de wijsheid van Boeddha – maar hij geeft hier blijk van een diep inzicht in de Amerikaanse cultuur, die zo verschillend is van de cultuur in Europa (let wel: ik zeg niet: de Europese cultuur, want die bestaat niet).

In hoeverre Keyserling hier schatplichtig is aan Max Webers Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus, dat enkele jaren tevoren verschenen was, weet ik niet. In elk geval is zijn analyse nog verrassend actueel. En daarmee heb ik gehoorzaamd aan het mijzelf gegeven gebod dat elk artikel van mij een actuele aanleiding moet hebben, al is die nog zo vergezocht. Ik schrijf per slot van rekening voor een dagblad.