Profeet en koran vallen ook onder kritiek

Bij een kritisch islamdebat mag geen sprake zijn van beperkingen, meent Herman Philipse.

Het is niet de koran of de biografie van de profeet Mohammed maar veeleer de overlevering van aan Mohammed toegeschreven handelingen en leefregels (Hadieth) die de moslimjeugd tot radicalisme verleidt, schrijft theoloog Mohamed Ajouaou (Opiniepagina, 21 maart). Daarom moet de islamitische gemeenschap haar verantwoordelijkheid nemen en een discussie beginnen over gevaarlijke teksten uit de Hadieth die oproepen tot martelaarschap, terwijl men geen kritiek moet hebben op de profeet of de koran.

Met dit betoog haakt Ajouaou aan bij de recente uitspraak van de Haagse voorzieningenrechter over de klacht van enkele moslims tegen het Tweede-Kamerlid Hirsi Ali (15 maart 2005). De rechter wees de klacht af, maar zei ook dat Hirsi Ali met haar uitspraken over Mohammed de grenzen heeft opgezocht van wat nog toelaatbaar te achten is. De desbetreffende passage in het vonnis is echter aanvechtbaar. Ook is het pleidooi van Ajouaou om Mohammed en de koran te vrijwaren van kritische discussie weinig overtuigend.

De eisers in het kort geding tegen Hirsi Ali stelden dat het filmpje Submission I en uitspraken van Hirsi Ali over de islam grievend en beledigend voor de islamitische bevolkingsgroep of delen daarvan zijn en daarom op straffe van een dwangsom gerectificeerd en in de toekomst verboden moeten worden. Geen enkele juridisch deskundige gaf de eisers veel kans.

Het was duidelijk dat de belangenafweging tussen enerzijds het grondrecht op vrije meningsuiting zoals gegarandeerd door art. 7 Grondwet en art. 10 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en anderzijds het recht op respect voor iemands godsdienstige overtuiging in dit geval wel ten gunste van Hirsi Ali moest uitvallen. Volgens de vaste jurisprudentie van het Europese Hof is de vrijheid van meningsuiting immers zo essentieel voor een democratische samenleving dat ze ook van toepassing is op uitlatingen die beledigen, shockeren of verontrusten (,,offend, shock or disturb''), terwijl de uitingen van Hirsi Ali zorgvuldig geformuleerd waren en in dienst stonden van een legitiem doel van vrouwenemancipatie. Dat die uitingen door de media uit hun verband werden gerukt, mag haar niet worden verweten.

De voorzieningenrechter kon dan ook niets anders doen dan de eis afwijzen. Maar omdat de rechter, zo veronderstel ik, de eisende moslims toch enige genoegdoening wilde verschaffen, overwoog hij, wellicht ten overvloede, nog iets naar aanleiding van Hirsi Ali's uitspraak dat de profeet Mohammed gemeten aan moderne morele maatstaven pedofiel handelde door het meisje Aisha op zesjarige leeftijd ten huwelijk te vragen en te huwen na haar negende verjaardag. ,,De term `pedofiel' is ongelukkig gekozen, zo schreef de rechter in het vonnis, nu dit minst genomen een patroon vereist, terwijl het in het verhaal gaat om een eenmalige gebeurtenis. [...] Het is [...] de vraag of een veelvuldig gebruik van deze of soortgelijke woorden nog wel zal vallen binnen de grenzen van de proportionaliteit en subsidiariteit.[...] Voorts oordeelt de rechter dat Hirsi Ali op dit punt haar zienswijze ook op andere (doeltreffender) wijze en met betere bewoordingen kan illustreren.''

Deze passage lijkt me bijzonder aanvechtbaar, in de eerste plaats omdat de rechter in kort geding zich in zo'n geval slechts moet uitspreken over de rechtmatigheid van de uitspraken die gedaagde in feite deed. De waarschuwing dat allerlei andere uitspraken die niet zijn gedaan wellicht onrechtmatig zullen zijn, zal de onbevangenheid van de openbare discussie nadelig beïnvloeden (het Europese Hof spreekt in dit verband van een ,,chilling effect'') en is schadelijk voor de democratie.

Bovendien zijn het wettelijke beperkingen van de vrijheid van meningsuiting die volgens het Europese Hof getoetst moeten worden aan de eisen van proportionaliteit (gaat de beperking niet verder dan het doel rechtvaardigt?) en subsidiariteit (had het doel niet bereikt kunnen worden zonder de expressievrijheid te beperken?). Wanneer de rechter ook het gebruik van de vrijheid van meningsuiting door burgers of politici streng aan deze criteria gaat toetsen, wordt een vrijmoedige discussie over godsdienstige opvattingen al snel onmogelijk. Ten slotte lijkt het me niet de taak van de rechter de doeltreffendheid van woordgebruik door politici te beoordelen. Het is goed dat de advocaat voor de eisers, Robert Moszkowicz, in hoger beroep zal gaan, zodat het Hof zich over deze kwesties nog eens kan uitspreken.

Ook het betoog van Ajouaou dat Hirsi Ali beter de Hadieth ter discussie had kunnen stellen en geen kritiek had moeten hebben op de koran of het leven van profeet Mohammed, kan mij niet overtuigen. Het verhaal van Aisha, te vinden in Het leven van Mohammed zoals opgetekend door de compilator Moehammad ibn Ishaak (704-767), is immers van grote politieke actualiteit, omdat de Iraanse theocratie de huwbare leeftijd voor meisjes heeft verlaagd tot negen jaar. Voorts pleitte de Marokkaanse ambassadeur in Nederland er nog in 1999 voor om de huwbare leeftijd voor meisjes in ons land tot vijftien jaar te verlagen. Door op te merken dat de profeet Mohammed naar moderne morele maatstaven gemeten een pedofiel was, stelde Hirsi Ali op indringende wijze de vraag aan de orde of hij in dit opzicht in onze tijd navolging verdient.

Het pleidooi van Mohamed Ajouaou voor een kritische discussie over de Hadieth is bijzonder toe te juichen, maar deze discussie moet evenzeer gevoerd worden over het leven van de profeet en over de koran. Ibn Ishaaks Het leven van Mohammed bevat vele passages die beter niet kunnen inspireren tot navolging van de profeet. Zo liet Mohammed alle volwassen mannen van de joodse stam Koeraiza, die zich ongewapend aan hem had overgegeven, onthoofden in speciaal daarvoor gegraven greppels, en zocht voor zichzelf een van hun vrouwen uit die hij als slavin behield.

Ook de koran bevat nogal wat teksten waarin wordt opgeroepen tot geweld tegen andersdenkenden, zoals soera 9:5: Als de heilige maanden zijn verstreken, doodt dan de veelgodendienaars waar jullie hen vinden, grijpt hen, belegert hen en wacht hen op in elke mogelijke hinderlaag. Of neem soera 47:4: Wanneer gij dus een ontmoeting hebt met hen die ongelovig zijn, houwt dan in op de nekken en wanneer gij onder hen een bloedbad hebt aangericht, bindt hen dan in boeien.

Ik laat het gaarne aan de lezer over te beslissen hoe eventuele navolging van de profeet of uitvoering van Allahs geboden op dit punt gekwalificeerd moet worden in het licht van moderne morele maatstaven.

Herman Philipse is universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht.