Debat

Twee stellingen, niet door mij verzonnen, maar gisteravond inzet van een van de `Islam-& Integratiedebatten' die de afgelopen weken in het Rotterdamse WTC-gebouw zijn gehouden.

1. De voertaal in de moskeeën dient het Nederlands te zijn.

2. Alle burgers hebben een actieve meldingsplicht bij het signaleren van radicalisering.

Ga er maar even aan staan.

Burgemeester Opstelten deed het, samen met zo'n vierhonderd bezoekers. Deze debatten, professioneel georganiseerd door de gemeente Rotterdam, zijn een unicum voor Nederland en navolgenswaardig voor andere steden.

De moeilijkheid blijft: hoe bereik je een representatief deel van de bevolking? Bij de Rotterdamse debatten is de opkomst van de allochtone burgers (vooral de jongere, goed opgeleide) hoog: minstens tweederde van het totaal aantal bezoekers. Een opmerkelijk resultaat, maar waar blijft de gewone man en vrouw – zowel autochtoon als allochtoon – uit `de wijken'? (De gemeente heeft dat bezwaar kennelijk onderkend en organiseert nu ook debatten op wijkniveau).

Als de gekozen burgemeester er ooit komt, zal Opstelten daar niet voor terugdeinzen. Hij voelt zich in zijn element op zo'n bijeenkomst. Hij is `trots' op zijn burgers, deelt complimentjes én vermaninkjes uit, en probeert de grofste simplificaties uit het debat te halen.

Eigenlijk doet hij niet veel anders dan zijn collega in Amsterdam: de boel bij elkaar houden. Daarbij heeft hij het veel moeilijker dan Job Cohen, die niet gehinderd wordt door een wethouder (Marco Pastors van Leefbaar Rotterdam) die de moslims af en toe graag op de tenen trapt.

Goed, die stellingen dus. De lezer van dit stukje heeft inmiddels de tijd gehad om zich een mening te vormen. De bezoekers mochten met een stemkaart (`groen' voor, `rood' tegen) hun mening kenbaar maken. Er werd gepassioneerd gedebatteerd, maar vriendelijker dan op voorgaande avonden, vertelde men mij.

Dit waren, globaal, de uitkomsten. Stelling 1: 60 procent tegen, 40 procent voor. Stelling 2: 50 procent tegen, 50 procent voor.

De meningen botsten soms hevig bij de tweede stelling. Een corpulente Rotterdamse man zei uit de grond van zijn hart: ,,Ik schrik er toch wel van dat een aantal als moslim herkenbare mensen tegen die stelling is.'' Een Marokkaanse deelnemer, gesteund door enkele Nederlanders, voorzag ,,beetje bij beetje een afglijden in de richting van een politiestaat'' als die stelling in beleid wordt omgezet.

Daarna ontspon zich een verwarrend debat over de zuiverheid van de stelling. Was ze niet te weinig specifiek? Ja, vond de burgemeester, de stelling was te algemeen, je moet voor de burger specificeren waar het precies om gaat. Liever nam de burgemeester van ons afscheid met ,,het duidelijke gevoel dat wij het in deze zaal eens kunnen worden''.

Dat wilde iedereen wel, maar het was duidelijk dat dat zeker bij die tweede stelling niet lukte. Het is ook moeilijk. Op de terugweg naar huis merkte ik zelfs dat ik het met mezelf niet eens kon worden.