Zoekend en spiritueel architect

Kenzo Tange, die gisteren op 91-jarige leeftijd in Tokio overleed, was zonder overdrijving de vader van de moderne Japanse architectuur. Een aantal van Japans meest vooraanstaande architecten zijn hun carrière begonnen in Tange's bureau, zoals Fuhimiko Maki en Arata Isozaki. Bovendien stond Tange aan de wieg van de onvervalst Japanse bijdrage aan de architectuur: het metabolisme.

In 1961 maakte Tange en zijn bureau een stedenbouwkundig ontwerp voor het gebied rondom de baai van Tokio, waarin voor het eerst de complexe, boomachtige structuur zichtbaar is die zo kenmerkend zou worden voor het metabolisme. Het Japanse metabolisme was een reactie op het statische simplisme van het modernisme. De metabolisten streefden naar een dynamische architectuur en stedenbouw die in staat was mee te groeien met de ontwikkeling van een complexe samenleving als de Japanse.

Toch begon Tange zelf ook als onversneden modernist. Nadat hij het werk van Le Corbusier had gezien, ging hij in de jaren dertig van de 20ste eeuw architectuur studeren. Zijn eerste bouwwerk, het Vredescentrum in Hiroshima (1949-1956), bestaat dan ook voor een deel uit Corbusiaanse glazen dozen op pootjes. Maar het meest in het oog springende deel van dit centrum, een soort altaar onder een betonnen boog, laat ook zien dat zelfs de functionalistische Tange al gevoelig was voor `spirituele' architectuur.

Internationaal bekend werd Tange door zijn sportpaleizen voor de Olympische Spelen van 1964 in Tokio. De omhoogstrevende spiraal van Tange's Olympische Gymnasium werd door zijn gewaagde constructie en dynamische vorm een symbool voor het moderne Japan. Het sportpaleis was het begin van een werkelijk immens oeuvre van overheidsgebouwen, kerken, musea, scholen, hotels, kantoren, cultuurcentra, woonwijken enzovoorts, vooral in Japan, maar ook in landen als Italië (Bologna en Catania), de Verenigde Staten, Frankrijk (Parijs), China en Koeweit.

In de loop van zijn lange, bijna zestigjarige carrière ging Tange steeds intensiever op zoek naar een nieuwe bouwstijl die paste bij wat hij het informatietijdperk noemde. In het industriële tijdperk hadden architecten kunnen volstaan met functionalistische gebouwen, zo was Tanges gedachte, maar in het postindustriële tijdperk bestond grote behoefte aan een architectuur met een sprekende symboliek. In zijn dankwoord bij de ontvangst van de Pritzker Prijs in 1987 zag Tange overeenkomsten tussen zijn eigen streven naar een symbolische architectuur en het postmodernisme. Toch wees hij het postmodernisme af. Dat was hem veel te eclectisch, zo zei hij in dezelfde rede: hij streefde naar een werkelijk nieuwe stijl en niet naar een historisch samenraapsel. Tange stelde zich hierbij bescheiden op. Hij zag zichzelf ook maar als een zoekende, dolende architect.

Maar hoe bescheiden Tange ook was in de laatste twintig jaar van zijn loopbaan, zijn gebouwen zijn dat niet. Zijn nieuwe stadhuis in Tokio uit 1991 is een gigant die door zijn twee torens aan weerzijden van een hoog middendeel doet denken aan een moderne kolossale versie van een gotische kathedraal. Ook de andere door Tange's bureau ontworpen gebouwen, die nu in diverse delen van Azië worden gebouwd, zijn zelden klein. Ze wijken in stijl meestal maar weinig af van de internationale wolkenkrabberstijl en tonen daarmee dat het Tange niet is gelukt om de nieuwe bouwstijl van het informatietijdperk te vinden.