Vier uur per dag een normaal mens

Naar schatting 20.000 Nederlanders lijden aan een beroepsziekte. Hoe gaan zij daar mee om? Vandaag Ben Mulder (45), procesoperator.

,,Het begon met vermoeidheid. Zelfs als ik dagdiensten draaide, dommelde ik bij de lunch bijna in. Het ging mijn collega's opvallen dat ik stil was, terwijl ik vroeger altijd grapjes maakte. En ik vergat dingen. Maar dat heb je zelf niet door, dat heeft je omgeving door. Ik werd constant op mijn vingers getikt. Opeens moest ik dingen opschrijven om ze te onthouden.

Acht jaar geleden ging ik naar de huisarts. Ze hebben twee keer bloed geprikt, maar daar kwam niets uit. Een maandje thuisblijven hielp niet. Toen vroeg de huisarts: `Heb je wel eens van OPS gehoord?'

OPS staat voor `organisch psychosyndroom', een hersenbeschadiging die je krijgt als je te veel oplosmiddelen inademt. Toen ze me testten, bleek dat ik er heel veel kenmerken van had. In Enschede ben ik twee jaar lang getest, tot ze zeker wisten dat ik het had.

Ik werkte sinds 1981 bij Elf Atochem, dat nu Arkema Vlissingen heet. Ik was procesoperator in een chemische fabriek die grondstoffen voor verf en bestrijdingsmiddelen maakte. Als er iets misging in het chemische proces, moest ik dat repareren. En er gingen vaak dingen mis. Leidingen die open moesten, centrifuges die lekten, ketels die overliepen. Daarbij kwamen allemaal oplosmiddelen vrij. Tijdens zo'n taak droeg ik een masker, maar achteraf bleken die niet goed genoeg. Bovendien stond de damp van die oplosmiddelen nog in de hal als ik mijn masker afdeed. Maar daar was ik zo aan gewend dat ik het niet meer rook.

Tegen mijn bazen durfde ik niet te vertellen dat ik OPS had, want dan zou ik er meteen uit vliegen. Zo'n bedrijf was het. Ik vertelde het alleen aan mijn ploegchef, een heel goede vent. Als ik iets met oplosmiddelen moest doen, deed hij het voor me. Ook liep hij na wat ik deed, want ik vergat alles. En in een chemische fabriek kan de boel zo in de lucht vliegen als je een fout maakt.

Toen ik in 2001 aan de baas vertelde wat ik had, was het gauw met me gebeurd. `Blijf maar thuis', zeiden ze. Nu zit ik in de WAO. Ik ben er bijna de helft in inkomen op achteruitgegaan.

Ik vind het een schande om thuis te zitten. Overdag kwam ik eerst niet in de voortuin. Ik ben opgevoed met het idee dat je moet werken met je sodemieter. Nu moet ik toegeven dat ik dat echt niet meer kan. Ik ben blij als ik vier uur op een dag een normaal mens ben.

In Enschede zeiden ze destijds dat mijn toestand zou stabiliseren óf verslechteren. Het is een hersenbeschadiging en wat kapot is, wordt niet meer beter. Mijn kortetermijngeheugen is helemaal weg. Verjaardagen probeer ik te vermijden. Ik moet me dan zo concentreren om niet als een idioot over te komen. Soms word ik boos omdat ik denk dat ik iets al heb gezegd, terwijl dat niet zo is.

Ze zeiden in Enschede dat ik mijn werkgever moest aanklagen. Een collega, van wie ik niet eens wist dat-ie ook OPS had, bleek daar al mee te zijn begonnen. Het duurt nu al drie jaar, we hopen dat er dit jaar een uitspraak komt. Ik hoef geen 100 miljoen euro, maar wel een aanvulling op mijn oude salaris. Werkgevers kunnen zo makkelijk met mensen omgaan. Elf Atochem is een groot bedrijf, ze kunnen met je spelen wat ze willen.

Het ergste vind ik dat mijn gezin hier de dupe van is. Mijn vrouw en kinderen moeten zich aan mij aanpassen. Ik slaap veel overdag en ik praat minder. Uit fatsoen vraag ik aan mijn kinderen hoe het op school was. Dan antwoorden ze dat ik dat een uur geleden ook al heb gevraagd. Ik zou net zo goed alleen op een eiland kunnen wonen. Ik heb wel eens het idee gehad: wat moet ik hier eigenlijk nog?''

Dit is een serie over beroepsziekten. Volgende week: asbestose.