Partijpolitiek spel is normaal, moet zelfs

Bij een wijziging van de politieke spelregels is het logisch dat partijen aan hun eigen belangen denken, vinden André Krouwel en Bertjan Verbeek. De PvdA-senatoren hebben het goed gedaan.

De Partij van de Arbeid krijgt de zwartepiet toegespeeld nu haar tegenstem in de Eerste Kamer gisteravond de gekozen burgemeester voorlopig onmogelijk heeft gemaakt. Minister De Graaf noemde de PvdA de ,,partij van de regenten''. Voormalig PvdA-senator Van den Berg had daar zijn partij al voor gewaarschuwd (Opiniepagina, 21 maart). Op dezelfde plaats een week eerder beschuldigde de Leidse hoogleraar Rudy Andeweg zijn PvdA van partijpolitiek.

Dergelijke geluiden zijn niet nieuw. Toen in 1999 het correctief referendum sneuvelde in de Eerste Kamer door de beslissende tegenstem van Hans Wiegel, werd Wiegel ervan beschuldigd partijpolitiek te bedrijven over een regeling die al door de Tweede Kamer was goedgekeurd en die bovendien een grondwetswijziging inhield, toch van een ander kaliber dan dagelijkse wet- en regelgeving. En dit terwijl het sneuvelen van het correctief referendum te wijten was aan een slechte calculatie van Paars II hoe de hazen in de Eerste Kamer zouden lopen.

Deze beschuldiging, ,,partijpolitiek op het verkeerde moment'', berust op twee misverstanden. Het eerste luidt dat politici in grondwetskwesties geen partijpolitiek zouden mogen bedrijven. Waarom eigenlijk niet? Andeweg veronderstelt ten onrechte dat diegenen die beslissen over de spelregels in onze samenleving, eigenlijk op basis van hoogstaande democratische beginselen tot een besluit zouden moeten komen. Natuurlijk spelen dergelijke argumenten een rol bij grondwetswijzigingen. Maar minstens zo belangrijk zijn de effecten die partijen verwachten voor hun machtspositie. Dit geldt met name voor partijen die een sleutelpositie innemen en zonder welke partijen geen regeling tot stand kan komen (in het geval van de gekozen burgemeester CDA, D66, PvdA en VVD). Zij zullen nooit instemmen met een nieuwe regeling als die hun invloedspositie in het openbaar bestuur fundamenteel aantast.

Velen binnen CDA en VVD beschuldigen nu de PvdA van karaktermoord, maar zijn eigenlijk bijzonder blij: de benoemingen van toch vooral CDA-, VVD- en PvdA-burgemeesters gaan voorlopig gewoon door. CDA en VVD hebben er niet eens D66 voor te hoeven schofferen. Dat klusje heeft de PvdA geklaard, die hiermee en passant een toekomstige linkse coalitie stukken moeilijker heeft gemaakt.

Dit alles is niets nieuws. Juist de vanwege hun hoogstaande argumentatie nog altijd geprezen ontwerpers van de Amerikaanse Grondwet van 1787 hielden in hun betogen voor of tegen een federale macht in de Verenigde Staten rekening met de praktische politieke gevolgen van hun Grondwet. Nog een voorbeeld: na de val van de Berlijnse Muur zijn in Midden- en Oost-Europa een kleine twintig nieuwe politieke samenlevingen ingesteld. Bij het vaststellen van een nieuwe Grondwet dachten de meeste partijen aan de verwachte gevolgen voor hun machtspositie. De meeste communistische partijen gokten bijvoorbeeld op een machtige positie van de president, omdat zij verwachtten dat zij via deze sleutelpositie de macht in handen konden houden. Nadat dit een misrekening was gebleken, hebben veel van deze partijen de feitelijke invloed van de president in de loop der jaren beperkt.

Ook in Nederland zijn de regels van het politieke spel veranderd na langdurige en hoogoplopende conflicten. Partijen maakten daarbij ook partijpolitieke calculaties én misrekeningen. Zo leidde de invoering van het zwaarbevochten algemeen kiesrecht nauwelijks tot de verwachte toename van het aantal parlementszetels voor de SDAP.

Nu in Nederland het openbaar bestuur voor een revolutie staat, maakt elke partij voor zijn standpuntbepaling inschattingen van mogelijke gevolgen voor haar machtspositie. Partijpolitiek is dat niet meer dan rationeel, en zelfs gewenst.

Het tweede misverstand is het idee dat de Eerste Kamer geen voorstellen over dergelijke belangrijke zaken zou mogen tegenhouden, omdat de Tweede Kamer deze al had goedgekeurd. Hoewel de Eerste Kamer zich doorgaans terughoudend opstelt, heeft zij nog steeds de formele bevoegdheid wetten en grondwetswijzigingen tegen te houden. De kwestie van de gekozen burgemeester maakt, net zoals die van het correctief referendum in 1999, nogmaals duidelijk dat de Eerste Kamer wel degelijk haar tanden kan laten zien. Zo'n blokkade door de Eerste Kamer lijkt nu zelfs gewenst, omdat ook Andeweg constateert dat de ,,krakkemikkige'' voorstellen ,,nodeloos ingewikkeld en intern inconsistent'' zijn en vele experts en adviesorganen negatief hebben geadviseerd over de voorstellen.

Dat dit stemmen oproept om de macht van Eerste Kamer te beteugelen, laat wederom zien dat spelregels in ons land niet voor altijd vastliggen en aan veranderende interpretaties onderhevig zijn. Er is geen enkele logische of morele reden om te pleiten tegen politieke strijd over de meest fundamentele spelregels van de democratie. Het is juist op deze momenten dat wij van politieke partijen mogen verlangen dat zij op basis van argumenten aangeven welke spelregels zij het meest wenselijk achten. Dat hun argumenten mede zijn ingegeven door hun verwachtingen over veranderende invloedsverhoudingen, is niet meer dan logisch. De uitkomst van het debat in de Eerste Kamer is dat ook.

André Krouwel en Bertjan Verbeek zijn verbonden aan de opleidingen politicologie van de Vrije Universiteit Amsterdam en de Radboud Universiteit Nijmegen.