Links heeft de toekomst in Latijns-Amerika

Als ze waken voor conservatief beleid, kunnen de nieuwe linkse regeringen Latijns-Amerika duurzame vooruitgang bieden, meent Alvaro Vargas Llosa.

Links is aan de macht in Argentinië, Brazilië, Chili, de Dominicaanse Republiek en Venezuela. Als deze maand Tabaré Vázquez als president van Uruguay wordt ingehuldigd, zal deze lijn waarschijnlijk worden doorgetrokken. Het jaar 2006 zou eenzelfde verschuiving naar links kunnen brengen in Mexico en Peru, terwijl in Bolivia sinds de val van president Gonzalo Sánchez de Lozada in 2003 de politieke agenda grotendeels wordt bepaald door de socialistische oppositie.

Hoewel deze ontwikkeling bepaald niet homogeen is (er zijn belangrijke verschillen tussen Hugo Chávez in Venezuela, Ricardo Lagos in Chili en Luiz Inácio Lula da Silva in Brazilië), is het patroon in Latijns-Amerika duidelijk.

De achtergrond van deze tendens is de teleurstelling onder de bevolking over de mislukkingen van de jaren negentig, een decennium van hervormingen onder rechtse regeringen die het gebied grote vooruitgang hadden moeten brengen. Maar daar kwam niets van terecht, al wisten tal van deze regeringen wel de inflatie te bedwingen. Achterwege bleven echter de beoogde decentralisatie en vorming van een vrije, concurrerende economie met sterke, voor iedereen toegankelijke wettelijke instellingen, terwijl het vriendjeskapitalisme en autoritarisme toenamen.

Landen vervingen hun inflatie door nieuwe belastingen voor de armen, hoge heffingen door regionale handelsblokken, en vooral staatsmonopolies door particuliere monopolies met goedvinden van de overheid. De rechtbanken werden onderworpen aan de grillen van de machthebbers, waarmee de kloof tussen officiële instellingen en het gewone volk werd vergroot - een van de redenen dat mensen teleurgesteld zijn in de democratie.

Deze teleurstelling opende de deuren naar de macht voor links. Met een enkele uitzondering zoals Venezuela, probeert dit nieuwe links de ergste fouten van het oude te vermijden, en dan met name de hyperinflatie en de openlijke oorlog tegen buitenlandse investeerders uit de jaren tachtig.

Een aantal van de resultaten is indrukwekkend: in Brazilië trekken de investeringen aan, in Argentinië liep vorig jaar de economische groei op tot 8 procent, en in Chili heeft een socialistische president toegezien op een daling van de armoede. Ondanks enkele autoritaire stuiptrekkingen, zoals in Argentinië, houden de nieuwe regeringen zich aan de democratische spelregels.

Toch zou het niet juist zijn om te denken dat deze regeringen alleen maar op koers hoeven te blijven. Als ze niet bereid zijn tot nog grondiger hervormingen, zal Latijns-Amerika zich waarschijnlijk niet kunnen ontworstelen aan zijn herhaalde cyclus van economische stagnatie en politieke ontgoocheling. Maar het goede nieuws is wel is dat linkse regeringen in andere delen van de wereld ook dergelijke hervormingen hebben doorgevoerd en het bovendien nog kunnen navertellen.

De opleving van Latijns-Amerika is voor een groot deel te danken aan de gunstige internationale omstandigheden, van de lage rentevoet in de Verenigde Staten tot de verhoogde vraag naar goederen in China en India. Nadat de economieën in het gebied tussen 1998 en 2003 weinig tot geen groei hadden gekend, hebben ze daarna geprofiteerd van de hoge prijs van olie, mineralen en andere goederen, zoals sojabonen.

Maar het investeringspeil is nog altijd laag: in het merendeel van de landen 15 tot 17 procent van het bruto nationaal product. Buiten Chili neemt de armoede niet af. Vorig jaar had het gebied een netto kapitaalexport van 77 miljard dollar, geen verrassing gelet op het feit dat de buitenlandse investeringen nog niet op volle kracht zijn teruggekeerd.

Om te concurreren met economieën in Oost-Azië en Europa die hervormingen hebben ondergaan, moet links Latijns-Amerika het mes zetten in de corporatistische staat, want deze hindert de ondernemingen zonder nauwe banden met de overheid en belet met behulp van wettelijke privileges elke vorm van rechtsgelijkheid.

Veel bedrijven die in de jaren negentig werden geprivatiseerd hebben in feite nog altijd een monopolie en spelen onder één hoedje met de regelgevers. Afschaffing van deze privileges zou de armen kunnen helpen overhalen om het denkbeeld van de economische vrijheid te omarmen.

De armste burgers zouden kunnen worden ontlast door een beduidende verlaging van de hoge omzetbelastingen die zijn ingevoerd in tijden van fiscale spilzucht. Ook zouden ondernemers in spe geholpen zijn met de opheffing van de bureaucratische vereisten waardoor burgers noodgedwongen 80 procent van hun jaarinkomen kwijt zijn als ze een eigen bedrijf willen opzetten.

Een ontkoppeling van de gerechtelijke en politieke sfeer zou het begin kunnen zijn van een wettelijk hervormingsproces waarin alle burgers werkelijke rechtsbescherming krijgen. Dergelijke maatregelen zouden de huidige groei in een bestendige vooruitgang kunnen omzetten. En door de mensenrechten te verzoenen met de vrije markt - twee begrippen in heel Latijns-Amerika helaas altijd op gespannen voet hebben gestaan - zouden miljoenen mensen meer bij de maatschappij betrokken kunnen worden.

Een verdere hervorming is het beste antwoord op de huidige sociale onrust en dé manier om voorbereid te zijn als de prijzen van Latijns-Amerikaanse goederen gaan dalen of de rentevoet in de Verenigde Staten omhooggaat - een waarschijnlijk vooruitzicht als de Chinese groei vertraagt en de tekorten in de Verenigde Staten blijven toenemen.

Er zijn nog genoeg andere linkse rolmodellen voor hervorming, van Nieuw-Zeeland tot Ierland, Estland en Litouwen. De werkelijke uitdaging voor links Latijns-Amerika zal uiteindelijk zijn om de verleiding te weerstaan om al te conservatief te zijn.

Alvaro Vargas Llosa is verbonden aan het Independent Institute. @New York Times Syndicate