Licht van verre planeten

Voor het eerst is het astronomen gelukt om licht op te vangen van planeten buiten ons zonnestelsel. Het gaat om twee planeten van het formaat Jupiter. De waarnemingen zijn verricht met de Spitzer-ruimtetelescoop van de NASA, in 2003 gelanceerd en gevoelig voor infraroodstraling. Beide planeten draaien op korte afstand om hun ster en zijn zo heet dat aards leven er waarschijnlijk niet mogelijk is.

De afgelopen tien jaar zijn er buiten ons zonnestelsel circa 150 zogeheten exoplaneten ontdekt. Ze verrieden hun bestaan indirect: een onregelmatigheid in de hemelpositie van de moederplaneet door de aantrekkingskracht die de exoplaneet uitoefent, of een dipje in de uitgestraalde hoeveelheid sterlicht in het bijzondere geval dat de exoplaneet voor de ster langs beweegt.

De exoplaneten die nu rechtstreeks zijn gezien vallen in de tweede categorie. De ene, HD 209458b geheten, draait in 3,5 dag om een ster in het sterrenbeeld Pegasus, 153 lichtjaar weg. De ander, die luistert naar de naam TrES-1, staat op 500 lichtjaar in het sterrenbeeld Lier en heeft een omloopstijd van 3 dagen. Door hun hoge temperatuur stralen beide in het infrarood (warmtestraling) `slechts' 400 keer zo weinig licht uit als hun zon. Met zijn extreem hoge gevoeligheid wist de Spitzer-telescoop dit infrarooddipje tijdens de passage van de planeet voor de ster langs waar te nemen. Op basis hiervan is berekend dat de temperatuur op beide exoplaneten ruim 700 graden Celsius bedraagt. Astronomen willen via analyse van het directe infraroodlicht ook de gassen in de exo-atmosferen achterhalen.