Gevaarlijke bronnen

Hoe betrouwbaar zijn brieven en dagboeken als venster op een tijd? Spiegel Historiael wijdt een thema- nummer aan egodocumenten.

In vroeger tijden kenden de mensen nog eenvoud en werklust, klaagde de militair J.C.C. den Beer van Portugael aan het eind van de negentiende eeuw in zijn memoires. In zijn jonge jaren aten hij en zijn collega's op het ministerie van Oorlog gedurende een half uur hun boterham met koud vlees, om daarna weer ijverig aan de slag te gaan. Anno 1890 lopen de kantoren om twaalf uur leeg voor een lunchpauze van ten minste een uur. Verloren werktijd, weet de militair, want ,,als men soms niet weet hoe laat het is, kan men om 4 uur zijn horloge gelijk zetten aan de stroom uitgaanden van de ministeries''.

De conclusie dat vroeger alles beter was kenmerkt veel `egodocumenten', een door de historicus Jacques Presser geïntroduceerde term voor persoonlijke herinneringen, brieven en dagboeken. De huidige opleving van boeken over levensgeschiedenissen, vaak geschreven door familie van de betrokken, vormde voor het historische tijdschrift Spiegel Historiael aanleiding een themanummer te wijden aan het egodocument.

In de 19de eeuw kende Nederland ook een hausse in (auto)biografische geschriften, leert het blad. Die kwam destijds volgens historici voort uit de behoefte de verloren gewaande tijd vast te leggen. Het reis- en levenspatroon veranderde in deze `onstuimige eeuw' ingrijpend door de opmars van de trein en de stoomboot. Ook allerlei dagelijkse voorwerpen en omgangsvormen verdwenen. Nicolaas Beets constateerde in 1883 dat van zijn in 1830 (onder het pseudoniem Hildebrand) geschreven Camera Obscura niets meer te begrijpen was en publiceerde een toelichting op zijn boek over de kleding en gebruiken van weleer.

Schrijven was eeuwenlang voorbehouden aan de elite. Het leven in welgestelde kringen is in egodocumenten dan ook vrij uitvoerig beschreven, in tegenstelling tot het arbeidersbestaan. Uitzondering hierop vormt de 17de-eeuwse Amsterdamse ambachtsman Hermanus Verbeeck wiens autobiografie, sinds die vijf jaar geleden verscheen, in tal van studies over de Gouden Eeuw als bron is gebruikt.

Behalve een boeket aan op ego-materiaal gebaseerde levensgeschiedenissen door de eeuwen heen bevat dit themanummer de weerslag van een discussie over hoe de historicus met zulk materiaal moet omgaan. Het is gevaarlijk het zonder meer als een betrouwbaar venster op een tijd te beschouwen. De onderzoeker moet zich rekenschap geven van het vervormende geheugen en de zelfcensuur van de auteur, evenals van de betrekkelijke willekeur van nu juist dat ene gedocumenteerde leven. Pressers tijdgenoot Jan Romein noemde egodocumenten zelfs ,,de gevaarlijkste van alle bronnen''.

Het `microhistoristorisch' onderzoek wordt niettemin in dit blad omhelsd als een uiterst individuele beschrijving van een mens in zijn tijd. Het resultaat werpt in het beste geval niet alleen nieuw licht op de periode waarin de geportretteerde en zijn tijdgenoten leefden, maar betreedt ook het domein van de literaire non-fictie.

Spiegel Historiael, tweemaandelijks, €7,75