De koning is terug

Een halve eeuw geleden waren ze bijna allemaal in een kookpot verdwenen. Maar nu gaat het weer goed met de konings- pinguïns op de Falkland- eilanden.

De schepper moet er een bijzondere bedoeling mee hebben gehad. Geef de Europeanen mussen, merels en meeuwen en huisvest kanjers als de albatros of de pinguïn op plekken waar bijna geen mens ze kan zien. Echte schoonheid zit wonderlijk goed verstopt.

De meest nabijgelegen plek om 's werelds mooist gekleurde en op één na grootste pinguïn te kunnen zien – de bijna één meter grote koningspinguïn – ligt op de Falkland-eilanden, een slordige vijftienduizend kilometer ten zuiden van Nederland. Vanuit Oxfordshire in Engeland kun je er voor zo'n tweeduizend euro naar toe vliegen in een toestel van de Britse luchtmacht. De reis naar Mount Pleasant International Airport – zes keer per maand – duurt met tussenstop op het eiland Ascension ongeveer achttien uur. Een andere optie is een vlucht naar Santiago in Chili van waaruit één keer per week via Punta Arenas op zaterdagmiddag wordt overgestoken naar de Britse kolonie.

De Falklands bestaan uit twee grote en zo'n 700 kleine, naakte eilandjes die in totaal ruim 12.000 vierkante kilometer beslaan. Er wonen slechts 2.500 mensen – voornamelijk in de hoofdstad Port Stanley – en bijna evenveel soldaten op een basis bij de luchthaven. De rest van de eilanden is voor de schapen, zeehonden en de vele duizenden rotsspringers, magelhaen- en ezelpinguïns en, zoals gezegd, voor de koning van de pinguïns.

De wereldwijd geïsoleerde positie van de pinguïns heeft niet kunnen verhinderen dat inmiddels twaalf van de zeventien verschillende soorten met uitsterven worden bedreigd door zaken als overbevissing en klimaatverandering. Ook op de Falklands was bijvoorbeeld de in een noordoostelijke uithoek van de eilanden broedende koningspinguïn niet veilig voor mensen.

Vooral in de negentiende eeuw werd de traag wandelende en van nature vriendelijke vogel door pelsjagers opgedreven en vaak levend in grote ijzeren potten gekookt. Per vogel een bierglas vol olie. De pinguïn als leeslampje. Het gebeurde zo systematisch dat de koningspinguïn er geheel verdween.

Maar de koning is op de terugweg. In 1949 zag Osmund Smith, de nu 84-jarige eigenaar van een schiereiland aan de oostkust, een stelletje wandelen op Volunteer Beach. En sindsdien zijn er steeds meer pinguïns bijgekomen. Op drie uur rijden van Port Stanley is nu een strand waar duizend koningspinguïns zitten met tweehonderd jongen. Tussen de kolonie lopen nog andere pinguïnsoorten en schapen.

Je kunt ernaast gaan zitten en genieten van het luide roepen van de vogels en zien hoe ze betrekkelijk hardhandig – ze slaan elkaar met de flippers – hun gebiedje verdedigen. Sommige hebben een jonkie of een ei op hun poten dat door een huidflap beschut wordt tegen de koude.

De pinguïns worden nu goed beschermd door de eigenaar van het terrein. De vogels zijn een aangename inkomstenbron. De paar duizend toeristen die jaarlijks deze plek bezoeken moeten hem per persoon zo'n twintig euro betalen. Een bezoek aan deze plek is al het geld waard: geen mooier gezicht dan een groep koningspinguïns die schoongewassen glimmend opduikt uit de golven en een strandwandeling maakt naar de kolonie.

Gek genoeg heeft ook de oorlog die Argentinië en Groot-Brittannië in 1982 uitvochten om de Falklands de pinguïns goed gedaan. De Argentijnen hebben bijvoorbeeld rondom de hoofdstad Port Stanley duizenden mijnen gelegd. De explosieven zijn van plastic en daardoor nauwelijks te detecteren en op te ruimen. De allermooiste stranden zijn daarom afgezet met bordjes waarop gewaarschuwd wordt voor ontploffingen. Magelhaen- en ezelpinguïns hebben sindsdien het rijk alleen op de witte stranden. Zelfs de zware jongens onder deze pinguïns wegen immers zelden meer dan vijf kilo. En dat is te weinig om in de lucht te vliegen.