Wees zuinig op het schoolboek

Voorkom dat historische collecties schoolboeken liggen te verpieteren, waarschuwen André Beening en Johan Joor.

In NRC Handelsblad van 4 maart vergelijkt Geert Mak het historisch bewustzijn van hedendaagse scholieren met het historisch bewustzijn van zijn eigen generatie. Niet onlogisch gebruikt hij voor de analyse van de huidige kennis een aantal courante schoolboeken. Schoolboeken blijven, bij alle nadelen die aan deze bron kleven, de beste bron die wij bezitten over de inhoud van het onderwijs.

Niet consequent, maar wel begrijpelijk gaat hij deze boekeninformatie vergelijken met zijn eigen herinneringen aan het geschiedenisonderwijs in het begin van de jaren zestig. Niet consequent, omdat de vergelijking tussen schoolboeken en herinneringen natuurlijk mank gaat, maar wel logisch, omdat de schoolboeken uit de voorafgaande decennia en eeuwen steeds moeilijker te vinden zijn.

Toen Mak op school zat, schreef Philip Idenburg zijn Schets van het Nederlandse schoolwezen. Voor Idenburg lagen de bronnen voor het oprapen. Hij kon gebruikmaken van de rijke historische collectie van het ministerie van Onderwijs, er waren diverse regionale schoolmusea met omvangrijke collecties schoolboeken en pedagogische en didactische literatuur. De verzuilde uitgeverijen van schoolboeken onderhielden met zorg omvangrijke fondscollecties, die de betrokkenheid van de uitgeverij bij het onderwijs bewezen.

Aan elke kweekschool (nu pedagogische academie) werd didactiek in een historische context onderwezen en in dat kader zorgde men voor een historische collectie schoolboeken en pedagogische en didactische literatuur.

Wie tegenwoordig op zoek gaat naar die cultuurschat, moet tot zijn schrik vaststellen dat de collecties zijn verdwenen of liggen weg te kwijnen in afgelegen magazijnen en dat nog maar enkele instituten zich om de collectievorming bekommeren.

De historische collectie van het ministerie van Onderwijs is afgestoten. De regionale onderwijsmusea zijn gesloten. De fondscollecties van de mega-uitgeverijen zijn, voorzover ze nog bestaan, naar de diepste kelders verbannen. Op de directie-etages van deze multinationals lijkt men zich inmiddels meer zorgen te maken om shareholders value dan om onderwijs.

De hogescholen hebben het vak historische didactiek afgeschaft, hun bibliotheken hebben geen bewaarplicht en stoten schoolboeken die niet meer gangbaar zijn af. De universiteiten bemoeien zich sedert jaren niet meer met de lerarenopleidingen en zijn daardoor eveneens gestopt met het verzamelen van schoolboeken en didactische literatuur.

De situatie verslechtert nog sneller doordat de weinige instellingen die nog collecties schoolboeken vormen of bewaren met grote problemen te kampen hebben. In de grote conserveringsprogramma's van de Nederlandse bibliotheken hebben schoolboeken geen prioriteit. Het zijn immers goedkope massaproducten, met een sterk repeterend karakter die zwaar drukken op het conserveringsbudget.

Die conclusie lijkt juist: het afzonderlijke schoolboek is inderdaad meestal niet kostbaar, maar de totale verzameling schoolboeken, die in Nederland (nog) honderdduizenden banden beslaat en teruggaat tot vroeg in de zestiende eeuw, is een van de belangrijkste cultuurschatten die wij bezitten. Schoolboeken vertellen ons immers niet alleen wat men wist in de vorige decennia en eeuwen, maar ook wat men vond dat men in ons land weten moest. Nederland heeft een van de langste, zo niet de langste traditie van volksonderwijs ter wereld en nog bezitten wij de belangrijkste bronnen van die traditie. Maar juist het feit dat het om goedkope massaproducten gaat, maakt dit bezit ook kwetsbaar. Het zijn geen kwaliteitswerken die de tand des tijds makkelijk doorstaan en zeker de boeken uit de periode 1840-1980 zijn aan slijtage onderhevig.

De instellingen die nog verzamelen of bewaren hebben, behalve met bewaar- en conserveringsproblemen, bovendien te maken met grote achterstanden op het gebied van de ontsluiting.

Het Nationaal Onderwijsmuseum in Rotterdam, de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek hebben vele tienduizenden titels nog steeds niet ingevoerd in de computer en daarmee zijn deze boeken praktisch ontoegankelijk geworden voor onderzoek.

Het is dan ook geen wonder dat er een merkwaardige kloof is gegroeid tussen de grote Nederlandse onderwijstraditie, gekend in de monumentale verzamelingen schoolboeken, en de wetenschappelijke belangstelling voor het schoolboek als vehikel voor kennis- en cultuuroverdracht.

Terwijl in de ons omringende landen een levendige belangstelling bestaat voor onderwijsgeschiedenis in het algemeen en het schoolboek in het bijzonder, zijn deze onderwerpen in Nederland in de marge terechtgekomen.

Diehards en liefhebbers ploeteren met magere budgetten en zonder bestuurlijke ondersteuning. Een instelling als het Georg-Eckert Institut für internationale Schulbuchforschung in Braunschweig zoekt men in Nederland tevergeefs.

Intussen staan de historische collecties schoolboeken en historische pedagogische en didactische literatuur, soms zelfs nog in dozen, in de magazijnen te wachten op betere tijden. Maar als die niet snel aanbreken, zal de Geert Mak van 2050 noodgedwongen uitsluitend nog van zijn eigen geheugen gebruik moeten maken als hij het historisch bewustzijn wenst te reconstrueren van hen die nog in het vorige millennium hebben geleefd.

André Beening en Johan Joor zijn historici en hebben gepubliceerd over onderwijsgeschiedenis.