We kunnen goed onderzoek stimuleren

Nederland heeft niet één topuniversiteit. De oplossing is: regel externe onderzoeksfinanciering, meent Piet Borst.

Rick van der Ploeg legt het er wel erg dik bovenop met zijn bewering dat de Nederlandse universiteiten in erbarmelijke toestand verkeren (Opinie & Debat, NRC Handelsblad, 12 maart). In een reactie op dit stuk betoogde Menno Lievers (NRC Handelsblad, 17 maart) dat onze universiteiten heus niet minder goed zijn dan de Engelse of de Amerikaanse. Ik ben het gedeeltelijk met hem eens. Gemiddeld scoort het Nederlandse onderzoek, voornamelijk een product van de universiteiten, hoog in de wereld. Maar waar het aan schort, is het gebrek aan differentiatie. Wij hebben 17 vrij goede universiteiten, maar niet één topuniversiteit. Die concentratie van talent, de beste studenten en de beste hoogleraren, in een centre of excellence, helpt om de omgeving te creëren waarin topprestaties worden geleverd.

Wellicht is het wat veel gevraagd om van de direct betrokkenen een oplossing te verwachten. Elke universiteit wil een topuniversiteit zijn en er zijn altijd wel politici die vinden dat Maastricht niet minder mag zijn dan Leiden of Amsterdam. De meeste universitaire onderzoekers denken daarom dat dit probleem onoplosbaar is en dat wij in Nederland gedoemd zijn om in de subtop te blijven hangen.

Er is echter wel een uitweg uit deze impasse en dat is via de onderzoeksfinanciering. In Nederland hebben we het wonderlijke systeem dat de externe financiers van universitair onderzoek, zoals NWO of het KWF, maar een deel van de kosten van de gefinancierde projecten betalen. De universiteit krijgt één of twee extra medewerkers, soms wat extra geld voor proeven, maar de infrastructuur waarin die extra medewerkers hun proeven moeten doen, moet de universiteit zelf maar bijleggen. De briljante onderzoeker die veel externe fondsen binnenhaalt, creeert daardoor problemen voor zijn baas. Op zijn best weet de universitaire baas met kunst- en vliegwerk de noodzakelijke infrastructuur te creëren, maar dat gaat af van de beleidsruimte waarmee de universiteit andere leuke dingen zou willen doen.

De oplossing is uiteraard het Amerikaanse systeem te adopteren en externe projectsubsidies kostendekkend te maken, dat wil zeggen inclusief overhead. Dat geeft de universiteit de mogelijkheid om briljante onderzoekers van de bijbehorende infrastructuur te voorzien, en het maakt die onderzoekers ook machtiger: in plaats van een lastpak die met de hoed in de hand probeert iets los te krijgen van een bureaucratische organisatie, wordt de onderzoeker degene die de organisatie in stand houdt door het binnenbrengen van de overheadcomponent op zijn subsidie, waaruit de infrastructuur betaald moet worden.

Zodra de infrastructuur van de universiteiten sterker afhankelijk wordt van hun onderzoeksprestaties, zal de differentiatie vanzelf op gang komen. Onderzoekers worden mobieler en de concentratie van talent op een beperkt aantal plaatsen, zoals in Engeland en Amerika, volgt vanzelf.

De tijd is nu rijp voor deze oplossing. Al in 1996 pleitte de evaluatiecommissie NWO (de commissie Rinnooy Kan) in zijn nog altijd actuele pakket van aanbevelingen voor deze stap, maar nu komt zelfs de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) in een rapport van februari 2005 tot de conclusie dat er een matching-probleem is ontstaan, dat wil zeggen dat de universiteiten moeite hebben om de infrastructuur bij te passen die nodig is voor de uitvoering van al hun tweede- en derde-geldstroomprojecten. De AWT wil dit probleem aanpakken met een Financiers Forum. Meer vergaderen lijkt mij niet nodig. De oplossing ligt al 9 jaar klaar.

Piet Borst is hoogleraar klinische biochemie aan de UvA en columnist voor wetenschap bij NRC Handelsblad.