PvdA toont weer gedrag van regent

Met haar verzet tegen de gekozen burgemeester en het rechterlijke toetsingsrecht, dreigt de PvdA-fractie in de Eerste Kamer zich tot erfgenaam van Thorbeckes conservatieve tegenstanders te maken, meent J.Th.J. van den Berg.

Terecht wordt de grote grondwetsherziening van 1848 het werk genoemd van Johan Rudolph Thorbecke, omdat hij er in menig opzicht zijn stempel op heeft weten te drukken. Toch kreeg Thorbecke niet in alles zijn zin. De regering, waarvan hij tot zijn woede geen deel uitmaakte, week in een aantal gevallen van zijn voorstellen af om aan conservatieve wensen van koning Willem II en leden van de Tweede en Eerste Kamer tegemoet te komen. Daaraan danken wij het voortbestaan van de Eerste Kamer, maar ook twee andere bepalingen. Het recht van de koning alle burgemeesters te benoemen werd zodoende in de Grondwet opgenomen en daarnaast het verbod aan de rechter om de wet te toetsen aan de Grondwet.

Thorbecke vond dat de benoemingswijze van burgemeesters niet in de Grondwet thuis hoorde, maar in de gemeentewet, omdat de burgemeester een organisch onderdeel is van het gemeentebestuur. Eveneens verzette Thorbecke zich tegen de `onschendbaarheid' van de wet. Ook de wetgever kan (ernstige) fouten maken en burgers moeten dan in staat zijn voor de rechter de ongrondwettigheid van een wet in te roepen.

Dat Thorbecke in beide gevallen het gelijk aan zijn zijde had, heeft de geschiedenis bewezen. In vrijwel de hele democratische wereld worden burgemeesters gekozen en zijn er rechterlijke organen die de wet kunnen toetsen aan grondwet en/of algemene rechtsbeginselen.

Dat het kabinet daar in 1848 anders over dacht, was wel te begrijpen. De koning, en ministers met hem, wilden een directe greep houden op wie er burgemeester werd vanuit een oude angst voor `federale neigingen' in het gemeentebestuur. Daarnaast konden zij zich eenvoudig niet voorstellen dat de wijsheid van politieke organen zou worden doorbroken door een eigenwijze rechter.

Meer dan honderdvijftig jaar lang is het niet gelukt van deze conservatieve ingrepen in het werk van Thorbecke af te komen. Tot voor kort heeft het er echter op geleken dat het nu, in de 21ste eeuw, alsnog zover zou komen. De verwijdering van de burgemeestersbenoeming uit de Grondwet ligt ter besluitvorming in tweede lezing in de Eerste Kamer. De verwijdering uit de Grondwet van het toetsingsverbod aan de rechter (dat zich overigens beperkt tot de klassieke grondrechten) ligt voor eerste lezing in de Eerste Kamer.

De ironie van de historie wil dat uitgerekend het instituut dat Thorbecke vergeefs heeft gepoogd te elimineren, de Eerste Kamer, in beide gevallen dwars ligt. Nog ironischer is dat de fractie van de Partij van de Arbeid deze dwarsdrijverij dreigt te onderschrijven, met mogelijk fatale gevolgen voor beide `Thorbeckiaanse correcties' van de grondwet. Zulk fataal gevolg zou meer zijn dan ironie, het zou de PvdA voor gek zetten.

De weerstand tegen het rechterlijke toetsingsrecht is, vanuit een ouderwetse sociaal-democratische opvatting, nog enigszins te begrijpen. De democratisch gekozen organen behoren de wet te stellen en niet, als het erop aankomt, de niet-gekozen en niet-verantwoordelijke rechter. In oude rode families wordt dan gedacht aan een rechter uit een deftig en rechts milieu, kortom aan de klassenvijand.

Maar zowel de democratische instellingen als de rechterlijke macht heeft een ontwikkeling doorgemaakt die een organisatie van checks and balances à la Thorbecke nieuwe actualiteit heeft verschaft. Daargelaten, dat de rechter al sinds jaar en dag de wet kan toetsen aan het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Waarom dan niet aan de klassieke grondrechten in onze Grondwet?

Omdat, zo meent Eerste Kamerlid Erik Jurgens, onze Grondwetsteksten vaak vaag en indirect zijn geformuleerd; zij geven de rechter weinig houvast en dus grote interpretatievrijheid. Dat moge waar zijn, maar die vaagheid kenmerkt ook veel teksten in het EVRM en in andere relevante verdragen. Niettemin heeft de rechter er toch zijn (bevredigende) weg in weten te vinden, zoals ook Jurgens toegeeft. Wat is dan nog het probleem?

De weerstand tegen `deconstitutionalisering' van de burgemeestersbenoeming is voor het gezond verstand niet te volgen. Althans niet, na de indiening ervan door een minister van de PvdA (K.G. de Vries), de hartelijke aanvaarding door beide fracties van de PvdA in eerste lezing en de aanvaarding in tweede lezing (iets minder van harte) door die partij in de Tweede Kamer.

Probleem is dan ook niet dat de fractie in de Eerste Kamer echte redenen heeft om de deconstitutionalisering tegen te houden, maar dat zij diep verdeeld is. Sommigen willen, als koning Willem II, geen enkele verandering, vooral niet als zij daar hun politieke leiders mee in de weg kunnen lopen. Anderen vrezen voor de macht van een gekozen burgemeester over de openbare orde. Weer anderen neigen tot sabotage van alles wat de rechtstreeks gekozen burgemeester naderbij brengt in plaats van verkiezing door de raad. Dat zo elke vorm van verkiezing onmogelijk wordt, nemen zij op de koop toe.

En dan zijn er nog de voorstanders van directe verkiezing. Namens dezen dacht Han Noten, de fractievoorzitter, een elegante truc te hebben bedacht, ook al paste die niet erg bij status en karakter van de Eerste Kamer. Als kabinet en Tweede Kamer het eens zouden worden over fasering van de burgemeestersverkiezingen (niet allemaal in 2006 dus) dan geeft de PvdA-fractie in de Eerste Kamer haar verzet tegen deconstitutionalisering op. Dat zei hij tenminste in het TV-programma Buitenhof, maar dat blijken wij intussen allemaal verkeerd te hebben begrepen.

Moet uitgerekend de senaatsfractie van de PvdA zichzelf in de positie brengen de erfgenaam te worden van koning Willem II en een aantal negentiende eeuwse regenten? Regenten die, uit vrees voor lokale en rechterlijke zelfstandigheid, hervormingen hebben tegengehouden die elders in Europa al in de negentiende eeuw normaal zijn geworden: een burgemeester die een integrerend deel vormt van het gemeentebestuur en een rechter die niet alleen toetst aan Europese grondrechten maar ook aan Nederlandse? Niet helemaal ten onrechte is de Partij van de Arbeid, ook in recente jaren, een regentenmentaliteit verweten, maar zó erg zal het toch niet zijn?

Prof. dr. J.Th.J. van den Berg is hoogleraar aan de juridische faculteiten van de Universiteiten van Leiden en Maastricht en oud-lid van de Eerste Kamer voor de Partij van de Arbeid.