Mijn spelen is mijn leren

Op de lagere en de middelbare school moest je spreekbeurten houden. Dat was goed om de spreekvaardigheid te bevorderen, en om je in een bepaald onderwerp te verdiepen en te leren dat ordelijk naar voren te brengen. En misschien staken je klasgenoten er ook nog wat van op, al leek dat bijzaak. Later op de universiteit heetten spreekbeurten ineens `referaten'. De onderwerpen waren nooit meer vrij, maar verplichte stof, en vaak had de referaathouder/ster er het fijne niet van begrepen, wat leidde tot uiterst onduidelijke verhalen waarvan alleen de docent kon beoordelen of er iets inzat. Vaak begreep je pas door de vragen of toelichtingen van docentwege waar je collega-student het nu eigenlijk over gehad had.

Ze worden nog steeds gehouden, referaten. Hele werkcollegecycli, vooral bij de humaniora, worden ermee gevuld. Ik ken studenten die ertegen protesteren, die tegen de docent zeggen dat ze geen collegegeld betalen om een medestudente iets halfbegrepens naar voren te horen brengen maar om onderwijs te krijgen, en of hij of zij graag zelf de moeilijkere onderwerpen uiteen wil zetten. Niets vervelenders dan week in week uit elk college weer een andere onervaren stoethaspel een mogelijkerwijs interessante kwestie om zeep te zien helpen.

In de jaren zeventig waren er ook wel docenten die geen onderwerpen op wilden geven. Die vonden dat alles `uit de groep' moest komen. Ze praatten wat, en de studenten kletsten terug, en dan zou er iets ontstaan. We zouden, zeiden deze docenten, zelf het beste weten wat we wilden leren. En daar zouden zij dan `op inspelen'.

Niemand kwam ooit op het idee om te vragen om een uiteenzetting van de fijne kneepjes van het indirect object, de tweede Germaanse klankverschuiving, of een degelijke structuuranalyse van Vestdijks 150-delige sonnettencyclus `Madonna met de valken'. In de colleges waar een en ander uit de groep moest komen ging het om onduidelijke redenen altijd over arbeiderskinderen, dyslexie en `maatschappelijke relevantie'. Een mooi groepscijfer tot besluit sprak vanzelf.

Het woord `groep' en heel dat groepsdenken is uit. Maar de gedachte dat een jong mens zelf wel weet wat hij of zij wil leren is blijkbaar nog niet ten onder gegaan. De `Iederwijs' scholen, waarover de laatste tijd zoveel te doen is, gaan weer helemaal uit van de gedachte dat kinderen vanzelf om vierkantsvergelijkingen en Griekse stamtijden gaan vragen als ze lang genoeg getafeltennist hebben.

Afgelopen zaterdag stond er een groot stuk over in deze krant, en je zag dat de oprichters erg enthousiast waren, en ook dat veel ouders voor zulke scholen voelen. ,,Ik heb de omslag moeten maken om volledig op de kinderen te vertrouwen'', zei een van de oprichtsters die bekende het als moeder soms moeilijker te vinden dan als onderwijskundige om dit ideaal vol te houden. En haar collega sprak de wijs klinkende woorden: ,,Aan groeiend gras moet je niet trekken.''

Je probeert het allemaal zo objectief mogelijk te lezen. Het prijzenswaardige mensbeeld tot je door te laten dringen: kinderen zijn leergierig, nieuwsgierig, talentvol. Ze ontplooien zich vanzelf als je ze maar de ruimte geeft.

En het is natuurlijk waar dat kinderen nieuwsgierig en weetgierig zijn en dat ze een enorm vermogen hebben om te leren. Volwassenen die heel veel van vogels of van stenen, bomen, treinen of planten weten, hadden niet zelden in hun jeugd al een warme belangstelling voor zo'n onderwerp, en de dingen die je jong leert uit vrije wil, die vergeet je nooit meer. Sommige dingen die je niet uit vrije wil leert ook niet trouwens – niemand heeft uit blinde interesse de rijtjes Duitse voorzetsels geleerd, maar bijna iedereen kan ze nog opzeggen.

Op de Iederwijs scholen schijnen ze er vanuit te gaan dat kinderen vanzelf wel op van alles en nog wat stuiten dat hun nieuwsgierigheid wekt. Op internet ongetwijfeld weer, die voddenbaal van informatie. En dat het op deze manier misschien verschrikkelijk lang duurt, kan een Iederwijsenthousiast ook niet schelen. Dan zucht zo iemand vermoeid dat ze het nog één keer uit zal leggen: een kind mag best tien jaar voetballen als het wil, maar dan, zul je zien, dan gaat het ineens willen leren.

Arme Constantijn Huygens met zijn opvoeding waarop hij zo trots was dat hij er een heel boekje over schreef – zijn vader blijkt zeer onterecht aan zijn groeiende gras te hebben getrokken. Hij had helemaal geen Latijn mogen leren op zijn zesde jaar. Hij had tien jaar lang kunnen knutselen en rare poppetjes tekenen – dán had hij zich pas waarlijk ontplooid.

Waarom windt men zich toch zo gemakkelijk op over onderwijs. Wat kan het schelen als er ouders zijn die het een goed idee vinden als hunkinderen veel spelen en en passant wat leren, die niets geven om systematische kennis en veel van de schoolvakken overbodige onzin vinden – wat ze trouwens misschien ook wel zijn, en als ze dat niet zijn dan is er ook nog zo veel anders te leren dan wat er traditioneel op scholen onderwezen wordt – film, schilderkunst, filosofie, praktische techniek, sterrenkunde, ambachtelijke vaardigheden, warenkennis, bijvoorbeeld. Is het uit ergernis dat `zij' niet meer leren wat `wij'nog wel moesten leren? Geloof ik niet. Ik heb zelf van na de Mammoet-wet zijnde, ook al niet meer geleerd wat `zij' nog wel leerden. Misschien is dit lichtelijk irritant omdat je er zo'n gevoel van tijdverspilling bij krijgt, en van talent- en plezierverspilling. Want het lijkt wel leuk, hele dagen `computeren'zonder iets bepaalds te zoeken of te vinden, gewoon maar wat chatten en surfen, of op trampolines springen, toneelstukjes doen en basketbal, maar het is niet echt leuk. Een poosje wel, maar daarna wordt elk normaal intelligent kind toch een tikje slap van al die lollige kost. Wat niet wil zeggen dat het dan meteen om natuurkunde vraagt – de vragen worden juist vaak ontwikkeld doordat je gedwongen wordt ergens aan te beginnen. Het kan vast allemaal minder schools op scholen toegaan. Maar het uitgangspunt: `volledig op de kinderen vertrouwen' is zulke evidente onzin – kinderen zijn helemaal niet volledig te vertrouwen. Volwassenen ook niet trouwens.

Arme kinderen, opgesloten te worden in één grote ruimte met allemaal onmachtige referaathouders. Omdat hun ouders, hoe is het mogelijk, nog altijd geloven in de natuurlijke goedheid, ijver en discipline van de mens.