De rode draak brult als vanouds

Dankzij de vijfde zege op rij, ditmaal ten koste van de Keltische bloedbroeder Ierland (32-20), verzekerden de rugbyers van Wales zich zaterdag in het eigen Cardiff van de eindzege in het Zeslandentoernooi. Verslag van een wederopstanding.

In de rij voor het centraal station van Bristol ontspint zich een dialoog. De klok tikt door, en dus nadert `de finale' met rasse schreden. Maar ja, de trein laat nog even op zich wachten en de in het rood gehulde supporter uit Wales begint zich zorgen te maken. ,,Ik heb beloofd om van tevoren nog wat familieleden te ontmoeten, die ik al anderhalf jaar niet meer heb gezien.'' Zijn in het groen gestoken collega-fan uit Ierland stelt hem gerust: ,,Vandaag moet je prioriteiten stellen, my friend.'' Zijn gesprekspartner valt even stil, vermant zich en zegt dan, quasi-nonchalant: ,,You're right, ik kan ze volgend jaar ook zien.''

Welkom in de betoverende wereld van het rugby, een sport die nog niet is vergiftigd door het virus van de haat. Hier, op een zonnige Super Saturday in de Engelse `toegangspoort tot Wales', staan de supporters gebroederlijk te wachten op de trein, die hen naar het ruim 45 kilometer verderop gelegen walhalla voert: Cardiff. Grootste bezienswaardigheid in de alsmaar langer wordende rij is een geheel in het rood gestoken pater. Ook hij is in afwachting van de reis naar het Millennium Stadium, waar de rugbyploegen van Wales en Ierland over vier uur de beslissende wedstrijd in het Zeslandentoernooi spelen.

En dat is niet zomaar een potje in zomaar een sport. Integendeel, want rugby is Wales. Een sport met een rijke historie, die teruggaat tot de negentiende eeuw. Een sport waarin de ziel van het nietige prinsdom in het westen van het Verenigd Koninkrijk zich weerspiegelt. Het stoere gevecht met de ovalen bal is, meer dan voetbal of wat dan ook, een metafoor die raakt aan de wortels van alles waar Wales (2,9 miljoen inwoners) voor staat. En dat is in de eigen Keltische taal het voor buitenstaanders ongrijpbare hwyl: passie en daadkracht. Oftewel de wereld van de dappere krijgers; van mannen van de gestampte pot die doordeweeks noeste arbeid verrichten in de mijnen of in de staalfabrieken en in het weekeinde ten strijde trekken op het rugbyveld. En na afloop gebroederlijk een pot bier drinken in de pub.

Maar dat karakteristieke, ja bijna idyllische Wales bestaat niet meer. Het Cymru (spreek uit als Kum-Réé) anno 2005 is een brave provincie van het allmighty Engeland, dat het is even geleden, maar velen weten het nog in 1282 een resoluut einde maakte aan de onafhankelijkheidsgedachte van de Welshmen. Het laatste restje zelfbewustzijn werd, aldus de inwoners, eind jaren zeventig weggeslagen, toen Margaret Thatcher aan het bewind kwam en Wales definitief verwerd tot een buitengewest, waar de werkloosheid welig tierde.

Een jaar vóór het aantreden van The Iron Lady gloeide de natie nog van trots. Ten overvloede bijna onderstreepte de legendarische rugbyploeg, aangevoerd door iconen als Gareth Edwards en Mervyn Davies, de hegemonie door het Grand Slam te winnen: de eindzege na louter overwinningen in wat toen nog het Vijflandentoernooi (zonder Italië) was. Nadien trad het verval in, zowel binnen als buiten de lijnen. Thatcher sloot de laatste mijnen en op het veld veranderde The Red Dragon (De Rode Draak) het nationale symbool dat is vereeuwigd in de vlag van Wales in een piepende muis, die in 1983 nog maar net won van niet-rugbynatie Japan: 29-24.

Sindsdien was het kommer en kwel. Al won Wales het toernooi tot zijn eigen verbazing nog wel in 1994. Maar daarna was het over en uit in Europa's oudste landentoernooi (sinds 1883). Met als dieptepunt de editie van twee jaar geleden, toen de ploeg vijf nederlagen op rij leed. Zelfs nieuwkomer (sinds 1999) Italië bleek te sterk. Met een aan zelfhaat grenzend sarcasme constateerden de Welshmen dat zij de glorieuze winnaars waren van de rode lantaarn, de verafschuwde Wooden Spoon.

Maar dat was 24 maanden geleden en dat in zo'n korte tijd veel ten goede kan keren, bewezen de rugbyers de afgelopen weken. Eerst Engeland (11-9) gevloerd, toen Italië (8-38) opgerold, daarna Frankrijk (18-24) in Parijs te kijk gezet en vervolgens Schotland (22-46) in het hoge noorden weggevaagd. Kon het mooier? Een sprookje was in de maak. ,,We zijn er zelf een beetje beduusd van'', zei steunpilaar Martyn Williams in de voorbeschouwingen.

En dan staat vandaag Ierland op de stoep, de grote Keltische broer die 22 jaar geleden voor het laatst verloor in Caerdydd. Het Ierland dat nog een minieme kans heeft op de eindzege en met aanvoerder Brian O'Driscoll over een van 's werelds beste rugbyers beschikt. Het Ierland ook dat in alle voorbeschouwingen op `het meest open toernooi in jaren' gold als dé favoriet. Wales was niet meer dan een outsider. Of beter: een dark horse.

Maar vandaag, op een stralende dag in de hoofdstad van Wales, worden alle spoken uit het verleden vakkundig verjaagd. Fouten en oneffenheden in het spel van The Green Army straft de thuisploeg resoluut af, en met de flair van een ware kampioen dendert het vijftiental door. Het `kleine' Wales is voor niets of niemand meer bang en de hele wereld mag het weten. Na tachtig hallucinerende minuten wijst het scorebord 32-20 aan. In de met 74.717 toeschouwers uitverkochte rugbytempel stijgt een orgastisch gejank op.

Eensluidend zijn een dag later de commentaren in de Britse pers: met dank aan de zege van de rugbyers, van wie slechts zes spelers geboren waren ten tijde van het laatste Grand Slam, is Wales' wedergeboorte een feit. De identiteitscrisis is bezworen, zoals dat eerder al in politiek-economisch opzicht gebeurde. Want Wales is allang niet meer het afvoerputje van Groot-Brittannië. Het land heeft zich aangepast aan de wetten van de moderne economie, de banenmachine draait op volle toeren en premier Tony Blair brengt regelmatig een bezoek.

Hoezeer het Wales van 2005 veranderd is, bewijst Gavin Henson. In niets beantwoordt de zonnebankbruine sterspeler aan het stereotype beeld van de uit de kluiten gewassen spierbonk, wiens gelaat is getekend door de strijd. Henson (23) scheert zijn benen, draagt zilveren schoenen en staat 's ochtends lang voor de spiegel om zijn haardos te veranderen in een moderne `gelkuif'. Silver Boot is de golden boy van het Welsh rugby, zeker na de fameuze trap waarmee hij vorige maand in de slotseconden de gehate wereldkampioen Engeland velde: 11-9. Zijn liefje is zangeres Charlotte Church, `de nachtegaal van Wales' met het engelengezicht die vandaag, vlak voor de aftrap, het volkslied Land of My Father (`Hen Wlad Fy Nhadau') mag zingen. Henson en Church zijn het antwoord van Wales op Engelands beroemdste soapstel, stervoetballer David Beckham en zangeres Posh Spice.

Henson is bovendien een sporter die, net als tennisser Tim Henman op Wimbledon, sinds zaterdag kan pronken met een naar hem vernoemde pleisterplaats. Op de tot Henson Hill omgedoopte heuvel, vlakbij de burcht van Cardiff, verzamelen zich ruim twintigduizend in groen, wit en rood uitgedoste supporters, die niet in het bezit zijn van een felbegeerd toegangsbewijs. De wedstrijd volgen zij op een levensgroot tv-scherm. Het bier vloeit rijkelijk in wat normaliter een ingetogen provinciestad van bijna 310.000 inwoners is.

Veel lof gaat uit naar coach Mike Ruddock. Zelf kan de oud-dakdekker bogen op een mislukte rugbycarrière: hij viel ooit van een ladder en liep daarbij een schedelbasisfractuur op. Maar als coach heeft hij The Red Dragons hun zelfvertrouwen teruggegeven. En meer dan dat, want Wales speelt onder zijn leiding het total rugby waar Frankrijk tot voor kort het patent op had: avontuurlijk en temperamentvol.

En dus is Wales dronken van geluk.