Regiokranten samen verder of alleen ten onder

De samenvoeging van Algemeen Dagblad met zeven regionale kranten zet veel verhoudingen op scherp. Niet alleen tussen lezers en hun betaalde krant, maar mogelijk ook tussen adverteerders en hun vertrouwde reclamemedium. De meeste aandacht gaat, niet onbegrijpelijk, uit naar de maatschappelijke rol van deze kranten. Hun aandeel in de nieuwsvoorziening voor de burger, hun rol in de regio als controleur van de macht – de krant als drager van de identiteit van de stad. En dan lijkt dit niet meteen een stap vooruit.

Tegelijk moet onder ogen worden gezien dat de grote sociale veranderingen in de steden in de Randstad voor een snelle uitholling van de functie van betaalde plaatselijke kranten hebben gezorgd. Voor wie niet met een betaalde lokale krant is opgegroeid (of niet in Nederland) zijn er talloze andere mogelijkheden om zich op de hoogte stellen. Bijvoorbeeld door gratis huis-aan-huisbladen te lezen, vaak uitgegeven door dezelfde concerns die nu de betaalde regiokranten proberen voort te zetten. Maar ook door regionale publieke radio en televisie, kabelkranten en websites. Dat mensen minder betaalde stadskranten lezen, wil bepaald niet zeggen dat ze minder op de hoogte zijn van wat er in hun omgeving gebeurt. Het lot van de regionale `vrije pers' of het functioneren van de plaatselijke democratie is allang niet meer verbonden met de betaalde stadskrant alleen.

Een fusie van deze omvang is intussen geen gewone consolidatie, zoals er de laatste decennia vele hebben plaatsgevonden, en waarvan bijvoorbeeld deze krant (sinds 1970) een product is. Dit is een poging om te redden wat er nog te redden valt. Vooral de kleinere regiokranten stond het water aan de lippen – eigenlijk was hun lot bezegeld gezien hun hoge kosten en afnemende oplage.

Het antwoord wordt nu gezocht in drastische schaalvergroting met de ambitie om zo efficiënter kleinere doelgroepen te kunnen bedienen. Dat zullen om te beginnen kleinere stedelijke of regionale edities zijn. Maar ook een populaire landelijke tabloidkrant die meer op De Telegraaf lijkt is te verwachten. Een zelfstandige sportkrant voor de massamarkt zou ook in het verschiet liggen, misschien zelfs ooit een plaatselijk nieuwsradiostation. Alle kranten realiseren zich dat ze moeten differentiëren om te kunnen overleven. In formaat en in formule maar ook in mediumtype (internet) en doelgroep (jong, allochtoon). Daarvoor is massa nodig. Wie aan die race niet meedoet, eindigt in de leggers van het Persmuseum.

Achter de emotie van het verlies van de eigen titel is hier en daar dan ook enig optimisme te bespeuren over de journalistieke en commerciële kansen die een krantenbedrijf kan benutten dat (eindelijk) wel over voldoende schaalgrootte zal beschikken. De nieuwe combinatie vindt haar logica en ontleent haar kracht vooral aan de dominante positie die ze met 600.000 vaste lezers vooralsnog op de advertentiemarkt kan aanbieden. De betrokken uitgevers Wegener en PcM hebben nu samen voor het eerst een positie waar adverteerders die op de massamarkt opereren niet meer buiten kunnen. In de zuidwestelijke Randstad wordt het bedrijf vrijwel monopolist. Dat betekent dus de mogelijkheid om tarieven vast te stellen en vast te houden en de concurrentie te beperken tot De Telegraaf. Of de kartelautoriteit NMa deze voorgenomen nieuwe marktordening zal accepteren is overigens nog de vraag. Van de drie concurrerende dagbladbedrijven op de advertentiemarkt lijken er nu nog maar twee over. Die hebben bovendien in wisselende combinaties ook nog belangen in en bij elkaar. De Telegraaf was al aandeelhouder van Wegener. En PcM heeft nu een grote joint venture met Wegener voor de nieuwe Randsteden-krant. Transparanter is het er niet op geworden. Maar het lijkt de enige mogelijkheid om betaalde regionale kranten in het verstedelijkte deel van Nederland nog overeind te houden. Het is nu letterlijk één voor allen en allen voor één.