Nieuwe negers

Op zeker ogenblik, in de loop van die mooie zomer, merkte ik dat ik beter op mijn buurvrouw ging letten. Een vrolijke vrouw, blond, springerige krullen. Getrouwd met de buurman. Ik vroeg me af of ik verliefd begon te worden. Misschien was dat wel zo, maar opeens was het over. In de loop van mijn bescheiden toenaderingen had ik haar vaker van dichtbij gezien, en toen heb ik de ontdekking gedaan: te oud. Ik was 17 en zij 28. Laat dit voor lezeressen van die leeftijd, of 38, of nog veel ouder geen teleurstelling zijn. Ze zien er allemaal heel goed uit, maar er zijn nu eenmaal leeftijdsverschillen die onder sommige omstandigheden tot onverbiddelijke grenzen worden.

Het zal een drie jaar later zijn geweest dat op een zondagavond, in een verlaten straat, me een jongen van een jaar of twaalf tegemoet kwam gelopen. Het was in de tijd dat het veiligheidsvraagstuk nog niet bestond. Onder dergelijke omstandigheden – in die buurt groette je elkaar, ook als onbekenden. We zeiden dag of hallo, hij bleef staan en vroeg: ,,Bent u een jongen of een meneer?'' Ik zei dat ik een jongen was. Dat had hij al gedacht.

Dit speelt zich af in de tijd dat de kinderen u tegen hun ouders zeiden, met twee woorden spraken en straf kregen van de onderwijzer of de leraar in plaats van andersom. Die hele santekraam van plichtplegingen hebben we in de loop van een halve eeuw definitief afgeschud. Daaraan ben ik ook medeplichtig geweest. Ik kan me niet herinneren dat leeftijd op zichzelf een reden was om iemand te diskwalificeren.

In Nederland is de verandering begonnen in 1957. Toen is onder het premierschap van dr. Willem Drees sr. de Algemene ouderdomswet van kracht geworden. Iedere Nederlander ging voortaan op zijn 65ste met pensioen, kreeg AOW, geld van de staat – `trok van Drees'. Dat was in Nederland voortaan de bevestiging van de ouderdom. De AOW'er had de maatschappij van de werkenden verlaten, hij kon aan zijn gouden jaren beginnen. Ik was dertig. Ik had te veel te doen en te veel plezier in mijn werk om me in de nieuwe toekomst voor de oude mensen te verdiepen.

Vader Drees was voor mij de belichaming, niet van een `oud mens' maar van de oude tijd. Dat is een groot verschil. Afgezien van zijn verdiensten en zijn tekortkomingen was hij de verpersoonlijking van het vooroorlogse. Een man die zich in driedelig pak met stropdas, genietend van het zonnetje, in een duinpan had laten fotograferen. Dat maakte Drees c.s. voor mij oud. Niet zijn leeftijd, maar de sfeer van zijn wezen. Het idealisme van het welverdiend genieten: Koffie Hag met een dik gesmeerde snee Verkade's ontbijtkoek, postzegels verzamelen, met je hengel erop uit, konijnen telen in de volkstuin, en toen er weer een nieuw tijdvak was aangebroken: een half jaar naar Torremolinos. In die tijd had ik Marc van Blankenstein leren kennen, een groot journalist met een ijzeren geheugen. Hij was toen even in de tachtig. Ik ging bij hem op bezoek, noemde een naam en hij vertelde een verhaal. De hele chronique scandaleuse van de jaren dertig en de oorlogstijd in Londen zat in zijn hoofd. Soms reed hij in zijn Vauxhall naar Genève. Daar keek niemand van op. Hij hoorde niet bij Vader Drees.

In de jaren zestig werden de ouderen, dat wil zeggen mensen die hun dertigste verjaardag achter de rug hadden, door een nieuw gevaar beslopen. In de Parijse revolutie van mei 1968 werd van de barricades geroepen dat mensen van onder de dertig `de liefde bedreven' (neuken was nog geen beschaafd woord; boven die leeftijd was je gedoemd `obscene bewegingen te maken'). Deze oudjes moest je sowieso niet vertrouwen. Intussen werden vooral in Amerika steeds meer bronnen van de jeugd aangeboord. Pillen, zalf, vitaminen, facelift, workout. En er kwamen steeds meer mensen die in dat soort wonderen geloofden. Forever young. Als je het geluk had dat je iemand zag die zich aan al die maatregelen had onderworpen, kon je je ogen niet geloven. Mummies waren het niet, maar ook geen gewone mensen. Een tragische mutatie in een waan van tijdloosheid. Het treurigst vond ik hun gedrag en hun oogopslag. Een wanhopige variant van Disneyland.

Geleidelijk aan is het volgende tijdperk aangebroken. Eerst zaten de ouderen de jongeren in de weg. De aankomende generatie kon geen werk krijgen, en daarom werden de ouderen in de gelegenheid gesteld, vervroegd uit te treden, `met de VUT te gaan'. In sommige vakken was dat verplicht. Of je plezier in je werk had of niet, je moest de VUT in. Op de keper beschouwd brutale discriminatie, maar als het over een op democratische wijze tot stand gebrachte overheidsbeslissing gaat, kun je hoog of laag springen, het moet.

Uit die tijd, van een jaar of twintig geleden dateert, denk ik, de sluipende, vaak monkelende discriminatie in de publiciteit. Over de 50-plussers die het allemaal niet zo goed meer kunnen bijsloffen, of de 55-plussers aan een wereldreis zouden beginnen of achter de geraniums gaan zitten. Dergelijke humor. Het is door die generatie zelf bevorderd. En natuurlijk door de reclame. Als ik de bewijzen ga opnoemen, wordt dit stukje te lang.

Ik kom tot het toppunt van humor. Begin deze week reden Dirk en Dirkje Knapper, 90 en 86, in hun brommobiel met 45 kilometer per uur op de A28, de snelweg in Drente. Het werd bijtijds ontdekt. De hemel zal weten, door welke illusies het echtpaar werd bewogen. In ieder geval was het nationaal nieuws. Het Parool belde Dirk voor een interview. BENT U VAN DE SCHRIK BEKOMEN? Dirk zegt: ,,Ik schrik niet zo snel.'' Het hele gesprek, vijftien vragen en antwoorden, wordt tot een samenhangend kolommetje. De sfeer zegt dat de schrijver op kosten van die ouwe dove zijn uiterste best doet, de lachers op zijn hand te krijgen. Maar die man is geen kwijlende halvegare. Eerder iemand die zich heeft afgevraagd wat voor idioot hem belde.

De bejaarden zijn de negers van de toekomst, zei W.F. Hermans een jaar of veertig geleden. Nog even en hij heeft weer gelijk.