Liever een film over aids dan over liefde

Op het filmfestival in Burkina Faso discussiëren Afrikaanse filmmakers met Europese subsidiegevers. ,,Fondsen houden een exotisch beeld van Afrika in stand.''

,,Een zebra en een paar zwarte kinderen met vliegen op hun gezicht.'' Die, zegt Jacky Ido, moeten er op zijn minst inzitten, wil hij zijn film kunnen financieren. De 27-jarige filmmaker uit Burkina Faso, woonachtig te Parijs, zit in Neerwaya, een van de vier grote bioscopen die hoofdstad Ouagadougou rijk is. De dag tevoren is hier Ido's korte film Descente vertoond in het kader van het Panafrican Film and Television Festival of Ouagadougou. Descente is een beklemmend surrealistisch filmpje. Een blanke man zit opgesloten in een kamer zonder ramen en deuren. Aan de muur hangt een koekoeksklok en op tafel staat een enorme fles melk. Zijn film is een reflectie op film, zegt Ido. ,,Het gaat mij er om hoe lang ik de aandacht van de kijker kan vasthouden zonder een verhaal te vertellen.''

Er zit geen zebra in, geen hongerkindje, en Ido heeft zijn film zelf moeten financieren. Bij de subsidiefondsen die openstaan voor Afrikaanse filmers kon het project geen genade vinden. Na de vertoning van Descente heeft de regisseur van verschillende collega's te horen gekregen dat hij de Afrikaanse filmmaker in zichzelf moet terugvinden. Dat soort opmerkingen irriteert hem mateloos. ,,Ik ben een filmmaker die toevallig Afrikaans is, maar dat willen mensen niet. Ze willen Afrikaanse archetypes zien.'' De wijze waarop Afrikaanse films door Europese fondsen worden gefinancierd, houden volgens Ido de stereotypes in stand. ,,Je maakt meer kans op geld wanneer je een film maakt over aids dan wanneer je een film maakt over een jongen die zijn grote liefde achterna reist.''

Cheick Fantamady Camara (40) uit Guinee kreeg wel geld los. Zijn film Ben Kunko, die de tweede prijs voor beste korte film won, schetst het leven van jongeren in een UNHCR-vluchtelingenkamp in Guinee. Camara: ,,Ik wilde in beeld brengen hoe ontwrichtend oorlog kan zijn, en dat dit pas na de oorlog in volle omvang duidelijk wordt.'' Tijdens een debat in een zaaltje van Hotel l'Independance – de plek waar filmmakers en filmbobo's tijdens het festival rond het zwembad hangen – kreeg Camara alle lof toegezwaaid, terwijl Ido's film nauwelijks ter sprake kwam.

Isabel Arrate, coördinator van het Nederlandse Jan Vrijman Fonds, nam in Ouagadougou deel aan een debat tussen filmmakers en Europese subsidiegevers waarbij het er heftig aan toe ging. De filmmakers vonden het absurd dat Europeanen beoordelen of een film wel `Afrikaans' genoeg is. In Nederland zijn het Jan Vrijman Fonds en het Hubert Bals Fonds de belangrijkste subsidiegevers van de Afrikaanse film en hoewel Arrate zegt dat voor haar fonds het enige criterium om een film te steunen de kwaliteit ervan is, onderschrijft zij dat subsidiegevers een bepaald exotisch beeld van Afrika in stand kunnen houden.

Volgens Heidi Lobato, directeur van het Nederlandse filmfestival Africa in the Picture, heeft Europa ,,in wezen geen notie van de Afrikaanse cultuur''. De voorkeur van Europese fondsen voor `typisch' Afrikaanse verhalen leidt ertoe dat Afrikaanse filmmakers noodgedwongen hun onderwerpkeuze laten bepalen door het Europese subsidiebeleid. ,,Voor een film op 35 mm heeft een Afrikaanse filmmaker Europese subsidie nodig'', zegt Lobato.

In het belangrijkste Franse fonds L'Agence intergouvernementale de la francophonie zit geen enkele Afrikaan. ,,Terwijl er toch genoeg Afrikanen in Frankrijk wonen'', zegt Isabel Arrate. De Fransen zijn nog steeds de belangrijkste geldschieters van de Afrikaanse, Franstalige film. Paul Coffie, verantwoordelijk voor het subsidiebeleid van L'Agence zegt dat de filmmakers zelf de keuze voor hun onderwerp bepalen. ,,Het beeld van Afrika dat naar buiten komt is hun eigen verantwoordelijkheid. Het zijn niet de fondsen, het is niet de EU. Die kijken enkel naar de levensvatbaarheid van het idee.''

Dat veel Afrikaanse filmmakers in Europa werken en wonen heeft ongetwijfeld invloed op hun werk. Tsitsi Dangaremba laat zich inspireren door haar Afrikaanse achtergrond. Zij volgde een filmopleiding in Berlijn en keerde als een van de weinigen terug naar haar geboorteland Zimbabwe. ,,Ik wil verhalen uit de Zimbabwaanse traditie in moderne beeldtaal vertalen en daar heeft niemand in Duitsland behoefte aan.'' Haar film Kare Kare Zwako (Moeders dag) gaat over een gezin ten tijde van een hongersnood en is gebaseerd op een traditionele Zimbabweaanse vertelling. Terwijl de moeder meeslepende liederen zingt, hakt haar man haar in stukken om haar even later met smaak op te eten. Het goede weet het kwade te overwinnen wanneer de buik van vader ontploft, en – POEF – moeder op zijn plaats zit.

De film deed veel stof opwaaien op internationale festivals, zoals Sundance in de Verenigde Staten. Het publiek reageerde geschokt omdat het eten van mensenvlees een (negatief) Afrikaans stereotype zou bevestigen. Deze reacties verbazen Dangaremba. In Hans en Grietje is de heks toch ook een kannibaal? ,,Wat ik als kind mooi vond aan dit sprookje is dat een vrouw zoveel kan overwinnen'', legt ze uit. En terwijl sommige Europeanen de film als onbegrijpelijk en absurd van de hand wezen, waren de reacties van het Afrikaanse publiek juist enthousiast.

Voor wie worden deze films dan gemaakt? Het festival in Ouagadougou is ondanks alle goede bedoelingen nog steeds een blanke aangelegenheid. Behalve uit Afrikaanse filmmakers bestaat het publiek er voornamelijk uit westerse belangstellenden en subsidiegevers. De meeste films die hier draaien zullen nooit in een reguliere bioscoop vertoond worden. Daarbij is de vraag of deze films een groot (Afrikaans) publiek aanspreken. Want wie heeft er nu zin om zijn eigen ellende op het witte doek te zien? Mensen gaan naar de bioscoop om vermaakt te worden, ook in Afrika.