Canongesprekken

`Flauwekul, met vijftig nummers krijg je toch niet alle titels van de Nederlandse literatuur die van belang zijn bij elkaar!' Leunend tegen de boekenkast op mijn kamer gesticuleerde mijn collega driftig. ``Over tien jaar lachen ze ons uit om zo'n minimalisme. Realiseer je je wel wat er allemaal moet worden weggelaten?'' Ik deed een poging om het getal van vijftig nog wat op te schroeven. ``Stel dat we er nou 55 van maken. Ieder mag nog een titel toevoegen aan zijn lijst en dan blijven er nog twee over voor werken waar we het echt alledrie over eens zijn. Slauerhoff bijvoorbeeld, of Elsschot.'' ``Laten we het nou asjeblieft bij die vijftig houden'', zei mijn andere collega. ``In essentie maakt het niets uit. Elk getal is willekeurig, maar vijftig is tenminste een rond getal.'' Foeterend en moeizaam kwamen we tot een accoord.

We hadden met de krant afgesproken ter gelegenheid van de boekenweek een lijst van vijftig titels te maken die elke Nederlander gelezen zou moeten hebben, voorzien van een toelichting en een pleidooi voor het lezen van literatuur. Met ons drieën, twee zittende en een toekomstige hoogleraar van de Amsterdamse neerlandistiekafdeling zouden we dat varkentje wel eens even wassen. Het getal van vijftig was inderdaad volledig toevallig en had alleen maar met de omvang van de krant te maken. Honderd titels hadden we veel liever gehad, maar dat kon niet vanwege de 4000 woorden die de krant ons ter beschikking stelde. Met minder zouden we onszelf blameren. Bovendien zou veel meer dan vijftig ook uitgelegd kunnen worden als hautain. Goedwillende lezers mochten we niet ontmoedigen door een geweldig aantal. Eventuele lacunes zouden die zonder al te veel moeite moeten kunnen inhalen.

Collega P. maakte berekeningen: als we zeven periodes in de Nederlandse letterkunde zouden onderscheiden, kreeg de vroegste periode, die van de hoofsheid en het heldendicht vier titels, tot de zestiende eeuw zouden er zeven titels zijn die de moeite waard waren, de zeventiende eeuw was in haar eentje tien titels waard, de achttiende vijf en de negentiende acht. De twintigste eeuw zou in twee periodes ingedeeld worden, met een breuk precies in het midden van de eeuw. Acht titels voor de eerste helft, zeven titels voor de andere.

Collega P. heeft niets met getallen, zegt hij, maar hij verblufte ons toch door zijn verdelingsvoorstel, dat gepaard ging met een idee voor de verdeling van de omvang. Ieder 1100 woorden en dan zo'n 800 voor de inleiding. V. en ik gingen tellen. P. zou de periode tot en met de zeventiende eeuw voor zijn rekening nemen en nam daarmee 21 titels in beslag. Ikzelf zou de twee volgende eeuwen krijgen met 14 titels en V. kreeg 15 titels voor de laatste eeuw. We kregen vaag de indruk dat we misdeeld werden in titels, maar P. rekende ons voor dat het aantal per eeuw relatief groter werd en daar hadden wij geen weerwoord op. Maar we voelden ons bepaald niet gemakkelijk bij deze rekenkamerbehandeling van de literatuur. We zagen echter geen andere manier om ons annexatiegedrag ten opzichte van elkaar in te dammen. Dus stuurden we elkaar naar huis met de opdracht om titels te gaan noemen die absoluut onmisbaar zouden zijn op een canon van de Nederlandse literatuur.

De volgende keer lag er een groslijst van iedereen op tafel. Bij mij stonden de voorspelbare Multatuli en Wolff/Deken erop, maar ook Poot, Belle van Zuylen, Weijerman, Bilderdijk, Staring, Huet, Kloos, de brieven en de verzen van De Schoolmeester, benevens Gorters Verzen van 1890. Maar ik zat flink boven de taks. V. maakte het nog bonter met 28 titels, waaronder het verhaal De wingerdrank van Bordewijk, de Kellner en de levenden van Vestdijk, het werk van Frans Kellendonk, Elsschot en Nescio, Walschap en Teirlinck. Onze collega van de vroegste eeuwen had slimmer gespeeld door slechts een klein overgewicht aan titels in te leveren.

De discussies die volgden hadden veel weg van kaartspel in een Limburgs café. Iedereen moest inleveren, de een wat meer dan de ander. ``Thomas, hoe kun je in hemelsnaam dat verhaal van Bordewijk erop zetten, terwijl we Bint hebben?'' ``Marita, je kunt toch niet serieus menen dat Belle van Zuylen op de lijst moet. Haar brieven zijn heus wel aardig, maar die romans, dat is toch derderangs geschrijf over wie-krijgt-wie! Bovendien schreef ze in het Frans.'' ``Ze hoort toch tot het Nederlands taalgebied. Erasmus staat er ook op.'' ``Ja, en Vondel ook, al is die in Keulen geboren.'' ``Waarom heb je eigenlijk van Vondel de Gijsbrecht gekozen, Herman? De Lucifer is toch veel moderner?'' ``Vind je dat modern, dat geschetter van duivels en engelen op het toneel?'' ``Dat is juist zo mooi, het zijn abstracties van macht en juist daardoor zijn ze veel eigentijdser dan die historische figuren in de Gijsbrecht.''

Al bekvechtend kwamen we tot de conclusie dat we op deze manier nooit de boel tot 50 titels teruggebracht kregen. We spraken af dat iedereen een titel mocht laten passeren die met zijn private voorkeuren te maken had. Ik zal u niet verraden welke titels door P. en V. als privécanon werden ingebracht, maar ik zal niet achterhouden dat ikzelf uit eigen fascinatie de gedichten van De Schoolmeester inbracht. Verder moest er keihard gesnoeid worden. De periodes hadden we inmiddels teruggebracht tot zes. P. zou aanspraak mogen maken op 17 titels, ik op 18, en V. zou er 15 voor de twintigste eeuw krijgen.

Opnieuw gingen we met huiswerk heen en weer kwamen we bij elkaar. Iedereen had sluipwegen ontdekt. Als je een schrijver noemt zonder een titel van zijn werk te geven, telt die niet mee. Zo wist ik een flink aantal schrijvers in de lijst te smokkelen zonder dat ik over mijn kwantum heenging. Ik noemde Bilderdijk als een van de interessantste schrijvers van de periode, maar een titel kwam niet over mijn lippen. Ook Busken Huet onderging deze behandeling. Bij Gorter heb ik lang geaarzeld: zouden alle mensen van Nederland de Mei gelezen moeten hebben of juist zijn sensitivistische verzen? De Mei kun je niet overslaan vanwege de beginregels, maar de Verzen 1890 horen bij de mooiste dichtbundels van de Nederlandse literatuur. Ik redde me uit het dilemma door de Mei te noemen, en het in het algemeen over zijn latere poezie te hebben. Even vals speelde ik met brieven. De achttiende- en de negentiende-eeuwse schrijvers zijn zulke verdraaid goede brievenschrijvers, en behalve Van Gogh had ik ook nog titels willen noemen van de brievenbundels van Betje Wolff, van Bilderdijk, De Schoolmeester en Multatuli. Ik heb het gelaten bij de namen alleen.

Collega V. bleek op dezelfde manier Hugo-de-Groot-in-de-boekenkist gespeeld te hebben. Zijn verstekelingen waren Sybren Polet en Lidy van Marissing, Bloem, Achterberg, Haasse, Vasalis en Ida Gerhardt. Gewiekst haalde hij een versregel van Hugo Claus aan, waardoor hij aandacht aan zijn poëtisch oeuvre kon schenken. Collega P. stond ons minzaam de trucages toe. In zijn periode zijn de schrijversnamen nog niet zo van belang.

We bekeken de lijst die nu ontstaan was. ``Waar is Op hoop van zegen gebleven, Thomas?'' ``Ik ging ervanuit dat jij die zou nemen. Dat is toch negentiende eeuw.'' ``Precies in 1900 geschreven, dus ik dacht dat hij bij jou hoorde.'' ``Kun jij hem gebruiken?'' ``Jazeker, ik kan hem laten aansluiten bij de naturalisten. Maar ik heb geen plaats meer.'' ``Dan moet je iemand anders weghalen.'' Zuchtend verdween Willem Kloos van de lijst om plaats te maken voor Herman Heijermans. ``Moeten we nou echt Ruusbroec lezen, Herman? Kun je hem niet verwisselen voor Hadewijch, heb je nog een vrouw erbij in jouw tijd.'' Collega P. schrapte ter plekke wat regels en bouwde de tekst om naar een dichteres.

Ik was nog ontevreden over de lijst van de twintigste eeuw. Veel te weinig van de jongere schrijvers, dacht ik. ``We kunnen dit niet maken,'' zei ik. ``Geen Kellendonk, geen Van der Heijden.'' ``Ja, die zou ik wel willen, maar ik heb geen reserve meer. Kun jij niet wat inleveren? Die negentiende eeuw, daar kan toch best wat af.'' ``Waar dacht je aan?'' ``De Schoolmeester bijvoorbeeld'' ``Geen sprake van. De Schoolmeester erin, of ik eruit. Maar ik stel wel een titel uit de achttiende eeuw ter beschikking. Jacob Campo Weijerman, dat is een interessante vent, maar je hoeft hem toch niet onontkoombaar gelezen te hebben. Ik geef je hem voor Van der Heijden.''

Over honderd jaar bestudeert een neerlandicus de lijst van 50 te lezen boeken uit 2005. ``Wat interessant'', zal die denken. ``Dat ze toen dachten dat Ruusbroec en Kellendonk niet op de lijst hoefden. En dat ze er wel Heijermans en Mutsaers op hebben staan. Er is toch veel veranderd.''

P.S. Ik kan er niet voor instaan dat ik de discussie met mijn collega's woordelijk weergegeven heb.