Broodje bom

Sensationeel nieuws: nazi-Duitsland heeft met succes atoombommen getest. Tenminste, dat beweert de Berlijnse historicus Rainer Karlsch. Deze week verscheen bij de Deutsche Verlaganstalt – niet de minste uitgeverij – Hitlers Bombe; Die geheime Geschichte der deutschen Kernwaffenversuche. In dat boek stelt Karlsch op basis van bronnenonderzoek en getuigenverklaringen dat zulke tests in oktober 1944 en maart 1945 onder toezicht van de SS door Duitse wetenschappers zijn uitgevoerd aan de Oostzee en in het Zuid-Duitse Thüringen. Het ging volgens Karlsch om taktische kernwapens, qua kracht verre de mindere van de Amerikaanse bommen die augustus 1945 Hiroshima en Nagasaki wegvaagden. Niettemin zouden zo'n 500 krijgsgevangen en concentratiekampgevangenen bij de tests zijn omgekomen.

Maar is het waar? Dat de Duitsers aan atoomonderzoek deden staat buiten kijf. In 1939 hadden Otto Hahn en Fritz Strassmann de kernsplijting van uranium-235 ontdekt en de gedachte aan een beslissend Wunderwaffe was snel geboren. Maar de technische problemen waren enorm – zoals het Amerikaanse Manhattanproject eens te meer duidelijk heeft gemaakt. Bij de capitulatie had Werner Heisenberg, Duitslands grootste atoomfysicus, in Haigerloch (Baden-Würtemberg) niet eens een werkende kernreactor, laat staan de tientallen kilo's hoogverrijkt uranium die nodig zijn voor een atoombom. De kopstukken van de Uranverein, zoals de betrokken groep Duitse atoomgeleerden heette, is na de oorlog in Farm Hall in Engeland geïnterneerd en aldaar afgeluisterd. Nooit hebben ze in hun gesprekken van toen aanleiding gegeven zo'n Duitse atoombom serieus te nemen.

Direct na verschijning van Hitlers Bombe zijn de atoombommen van Karlsch zwaar onder vuur komen te liggen. Wetenschapshistoricus Arminn Hermann, expert op het gebied van het nazi-kernprogramma (en Einstein-biograaf), kwalificeert ze in de Spiegel Online als `kletskoek' (totalen Schmarren): `Da will sich jemand wichtig machen.'

In Die Welt komt Sven Felix Kellerhoff met drie bezwaren: de Duitsers hadden niet voldoende splijtstof voor een bom, Karlsch' bewijzen dat Hitler cum suis in een bom geloofden zijn zeer zwak (ondeugdelijke citaten, ongeloofwaardige ooggetuigen) en in contemporeine documenten is niets van zo'n atoombom terug te vinden. Zo zou de proefexplosie in Thüringem op 3 maart 1945 om 21.20 uur hebben plaatsgevonden. De agenda van Walther Gerlach, chef van het Duitse atoomprogramma en ter plekke aanwezig, zwijgt daarover. Sterker, volgens die agenda is Gerlach de volgende morgen om 6 uur 's morgens weer uit Thüringen vertrokken. Zou hij zich dermate weinig voor de schade van de Duitse atoombom hebben geïnteresseerd dat hij niet eens de moeite nam deze bij daglicht in ogenschouw te nemen?

Niettemin heeft Karlsch interessant nieuw bronnenmateriaal weten aan te boren. Zo vond hij in een Russisch archief dat Carl Friedrich von Weizsäcker octrooi heeft aangevraagd op het gebruik van de splijtstof plutonium. Ook blijkt een team onderzoekers onder leiding van Kurt Diebner in Berlijn een kernreactor te hebben gebouwd. Aan de hand van bodemmonsters meent Karlsch te kunnen bewijzen dat die reactor wél heeft gewerkt, maar overtuigend is dat bewijs (gebaseerd op de aanwezigheid van de splijtingsproducten) niet – een definitief oordeel zal nog een jaar op zich laten wachten. De Amerikaanse wetenschapshistoricus Mark Walker, in 1990 auteur van Die Uranmachine, stelt dat Karlsch ``een compleet nieuw hoofdstuk'' over Hitlers speurtocht naar een wonderwapen heeft geschreven. Maar in een Duitse atoombom gelooft ook Walker niet. Mogelijkerwijs, aldus de Amerikaan, hadden de Duitsers wat radioactief materiaal in een conventionele bom gestopt. Zo'n `vuile bom' kan vijandelijk gebied radioactief besmetten. Maar je wint er geen oorlog mee en een atoombom is het van geen kant.