Wat waren we toch geniaal

De omstreden Amerikaanse politicoloog Charles Murray heeft een massief statistisch boek geschreven over creativiteit. Religie is daar een vruchtbare voedingsbodem voor, meent hij, postmodernisme de pest. Maar wat hebben we aan zijn rekenwerk?

Het wordt niet meer onderwezen, maar `het menselijk genie' is een van de meest fascinerende onderwerpen van de psychologie, sociologie en geschiedwetenschappen. Kernvraag is: waarom spreken wij nog altijd vol ontzag over William Shakespeare, maar denkt vrijwel niemand aan de geschriften van Anselmus van Besate (ca. 1048), die met de Rhetorimachia toch ook een heel interessant werk schreef? Ligt dat alleen aan de kwaliteit van het werk? Of zijn er ook ten onrechte vergeten genieën? Welke prestaties gelden als `geniaal', in plaats van `goed' of `prachtig', en waarom?

De conservatieve Amerikaanse politicoloog Charles Murray heeft een gewichtig werk over deze kwestie geschreven. Murray had het idee om door het tellen van vermeldingen in moderne handboeken een `geschiedenis van de menselijke creativiteit' tot 1950 samen te stellen. Die statistische pretentie maakt hij niet helemaal waar, zoals we nog zullen zien. Maar de onderneming is op zichzelf sympathiek, vooral ook omdat Murray nergens beweert dat zijn methode perfect is.

Murray werd vooral bekend, en berucht, door zijn eerdere studie The Bell Curve (1994), samen met R.J. Herrnstein, waarin zij het gelijkheidsdenken over individuen en rassen aanvielen. Hun wapen was de (gedeeltelijke) erfelijkheid van het IQ. Het leverde Murray faam op, maar ook het odium een rassendenker te zijn. Dit keer valt hij de lezer niet lastig met ideologische genetica. Hij telt. Als gimmick was die tellerij nog leuk geweest lijstjes! bekende namen! maar nu beslaat het rekenen bijna de helft van het boek.

Dat neemt niet weg dat de rest van het boek een fraai en controversieel essay is over de opkomst en volgens Murray ondergang van creativiteit en genialiteit in de menselijke geschiedenis. Sommige opvattingen van Murray zijn weinig verrassend: democratie stimuleert creativiteit, despotisme is er slecht voor. Ook niet origineel, maar interessant is dat hij de aandacht vestigt op het belang van `structuurveranderingen' als nieuwe vormen en technieken voor creatieve bloei. De Renaissance dankte veel van haar glorie aan de uitvinding van het lijnperspectief en de olieverf. De uitvinding van de drukpers en het ontstaan van de roman stuwden de literatuur tot grote hoogten. Muziek bloeide op na de uitvinding van de meerstemmigheid in de vijftiende eeuw.

Origineler is Murrays positieve waardering van religie. Voor het belang van religie voor creativiteit heeft hij een intrigerende verklaring. Een roeping als genie is in het algemeen volgens hem niet vol te houden zonder `een sterk gevoel van: om dit te kunnen doen ben ik op aarde gezet', zoals hij het formuleert. Genieën hebben dus baat bij een religieuze inslag. Ook `nihilisten' kunnen wel creatief bloeien, maar toch vooral in het afbreken van klassieke en traditionele kaders. Nietzsche en Sartre noemt hij als geijkte voorbeelden. Maar als het oude bouwwerk eenmaal is gesloopt, wat dan? De keus voor een nieuw ontwerp is dan moeilijk, want willekeurig. `Is het leven doelloos', betoogt Murray, `dan is geen enkel project intrinsiek belangrijker dan een ander. [...] Zonder gevoel van doelgerichtheid ontbreekt het de creatieve persoonlijkheid aan een sjabloon dat hem dwingt vast te stellen of hij zijn talenten wel op de best mogelijke manier gebruikt.'

Murray is verstandig genoeg om religie niet gelijk te stellen aan georganiseerde godsdienst, laat staan aan een concrete religie zoals het christendom. De Grieken en Chinezen waren volgens hem met hun aristotelisme en confucianisme óók religieus begeesterd. Ook zij gaven ruimte aan een `transcendent element' in het leven, `in de zin dat zij de mens een plaats gaven in de kosmos, een helder begrip hadden van de bestemming (het ,,goede'') waar mensen zich op richtten en hoge normen ontwikkelden voor menselijk gedrag'. Het christendom heeft voor Murray vooral waarde omdat daardoor het individualisme werd gestimuleerd. Maar, geeft hij toe, `het duurde meer dan duizend jaar voordat het zover was'.

Een gevoel voor het hogere is volgens Murray van belang omdat het leidt tot `een volwassen overdenking van waarheid, schoonheid en het goede'. Daar zit natuurlijk wel iets in, maar vervolgens komt de aap uit de mouw. Dat gevoel voor het hogere is ons ontglipt, verzucht Murray. `De hedendaagse creatieve elites zijn niet alleen bovenmatig seculier, maar staan vaak vijandig tegenover de idee dat transcendente waarden enige betekenis hebben. Daarom mogen we vrezen dat vakkundig gemaakte amusementsproducten het maximaal haalbare zijn.'

Dan weet de lezer ineens: hier staan we aan het front van de culture wars tussen liberals en conservatives die de Amerikaanse cultuur, vooral die aan de universiteiten, verscheuren. Murray staat evident aan de kant die de `hoogtepunten van westerse cultuur' onder het vaandel van de dead white males tot het uiterste verdedigt tegen cultuurrelativisten voor wie, zoals de karikatuur luidt, Donald Duck en de Mona Lisa uitwisselbare producten van een gelijkwaardige beeldcultuur zijn.

Aan beide zijden van dit oorlogsfront worden vooral clichés verheerlijkt en enthousiast stromannen in brand gestoken. Maar zoals de statistische wolk om Murrays betoog maar beter kan worden genegeerd, zo hoeft ook die context van de culture wars het lezen van zijn boek niet helemaal te bederven. Want zijn aandacht voor creatieve `roeping', een herkenbare `plaats van de mens in de kosmos', en historisch besef, is op zichzelf niet onzinnig. Waarom zouden we eigenlijk lachen om het feit dat veel creatieve geesten in het verleden een `transcendente' inspiratie voor hun werk voelden? Murray gaat overigens verder, hij vermoedt dat ze gelijk hadden: `Is het niet vrij onwaarschijnlijk dat mensen die iets presteerden dat voor anderen ondoenlijk was, zo naïef over de grote kwestie dachten? Of begrepen zij dingen die wij niet begrijpen?' Die gedachte hoeft zijn lezer niet met hem te delen. Maar je kunt hem gelijk geven wanneer hij verzucht: waarom zouden we ophouden Thomas van Aquino te lezen, ook al heeft Darwin gelijk?

Maar toch. Ook los van de culture wars valt Murray te verwijten dat hij geen enkele poging doet om de `periode van afbraak van zekerheden' waarin we nu leven, te interpreteren als een interessante periode van wat hij zelf zou noemen `extreme structuurverandering'. Kijk eens hoeveel nieuwe vormen en technieken er nu ontstaan. Die zouden juist kunnen uitnodigen tot creatieve bloei in plaats van het verval dat Murray overal ziet? Waarom zou de ontdekking van olieverf wél een culturele opleving veroorzaken en niet de uitvinding van de film? Vernieuwing is goed, concluderen we uit Murrays boek, als het maar vernieuwing is in de verleden tijd.

Nu dan iets meer over de statistiek, die voor Murray helaas de kern vormt van zijn boek. In maar liefst 166 standaardwerken, waaronder de Encyclopaedia Britannica, heeft hij nageteld hoe vaak personen of kunstwerken worden genoemd. Op basis van het aantal tekstregels dat aan personen is gewijd en het aantal kleurafbeeldingen van kunstwerken in encyclopedieën en overzichtswerken heeft hij een lijst vastgesteld van 4.002 `significante personen' van 800 voor Christus tot 1950, onderverdeeld in kunst, wijsbegeerte en wetenschap en verder gerangschikt per kunstsoort (letterkunde, beeldende kunst, muziek), cultuur (Japan, China, India, Westen, Arabië) en wetenschappelijke discipline (biologie, geneeskunde, aardwetenschap, natuurkunde, scheikunde, sterrenkunde, technologie, wiskunde). Als significante persoon geldt iemand die door de helft van de `gekwalificeerde' bronnen wordt genoemd. Vervolgens berekent Murray per persoon het percentage van de totale aandacht voor significante personen in dat domein, dat hij dan weer in een gemeenschappelijke schaal onderbrengt, waarbij de hoogste score 100 krijgt en de laagste 1. Michelangelo haalt 2,2 procent van de totale aandacht in de gebruikte kunstboeken, en dat is het meest van alle 4002 uitverkorenen: hij krijgt dus 100.

Al dat tellen lijkt op het eerste gezicht een maniakale poging de grote geesten aller tijden te inventariseren. Maar Murray sluit wel aan bij de moderne wetenschappelijke theorieën over creativiteit, waarbij erkenning van die creativiteit door `deskundigen' een cruciale rol speelt. Hij beroept zich onder andere op de psycholoog Mihalyi Csikszentmihalyi die het prachtige Creativity schreef (1996). Creativiteit heeft volgens deze psycholoog te maken met aandacht en doorzettingsvermogen, maar óók met de sociale omgeving waarin zij wordt toegepast. Voor creativiteit is een duidelijk omschreven en begrensd domein nodig. Zonder begrenzingen geen genialiteit. En: wie niet eerst een bepaald domein beheerst, krijgt vrijwel nooit erkenning. Zonder erkenning van andere experts in dat domein vallen geniale prestaties op een rotsige bodem. Zo opgevat is genialiteit geen geïsoleerde prestatie, maar een systeemkenmerk van prestatie én omgeving. En hoe simpel en onbevredigend ook, erkenning is daarmee een van de weinige sleutels die toegang bieden tot een theorie over genialiteit.

De theorie waarop Charles Murray zijn statistische kathedraal heeft gebouwd, is dus niet absurd. Maar de resultaten vallen tegen. Want aan de top zijn de lijstjes niet verrassend (zie kader) en onder de top zijn ze vrij willekeurig. Bovendien wordt het ijverige rekenwerk ondergraven door het feit dat Murray niet kritisch kijkt naar zijn bronnen, de handboeken waaraan hij zijn gegevens ontleent. Nergens geeft hij zich rekenschap van het feit dat het hier om boeken van moderne experts gaat. Wat Murray heeft berekend zegt dan ook meer over de moderne opvattingen over genieën uit het verleden, dan over dat verleden zelf. En de domeinen die wij heel normaal vinden – natuurkunde, biologie, beeldende kunst – bestaan die op diezelfde manier in niet-westerse culturen? Ook die vraag stelt Murray zich niet. Pijnlijk is ook dat alle eigentijdse theorieën over mondiale uitwisseling en wederzijdse beïnvloeding van culturen, zoals in Het menselijk web van William McNeill, volkomen aan hem voorbij lijken te zijn gegaan.

Het bouwsel heeft dus van het begin af aan al scheef gestaan. Maar wie tussen de cijfers en de culture wars door kan lezen houdt een ijverig overzichtsboek over de westerse creativiteit over. Voor de rest van de wereld hoef je het niet te lezen.

Charles Murray: Het menselijk genie. Streven naar het ultieme in kunst en wetenschap door de eeuwen heen. Vertaald door Ronald Jonkers. Het Spectrum/Standaard Uitgeverij, 755 blz €49,95. De Engelstalige uitgave Human Accomplishment. The Pursuit of Excellence in the Arts and Sciences, 800 B.C. to 1950 is verschenen bij Harper Collins, 688 blz. €37,75

Charles Murray treedt op 9 april op tijdens de Nacht van de Filosofie in Felix Meritis, Amsterdam. Zie www.maandvandefilosofie.nl