Stressballade

Guus Middag luistert naar nieuwe Nederlandstalige liedjes. Vandaag naar `Opzij' van Laïs, een cover van een lied van Herman van Veen.

Het Vlaamse a capella-trio Laïs zingt meestal middeleeuwse liederen. Maar tussen `De drie maagdekens', `Hymne' en `De klacht van een verstoten minnares' duikt op hun nieuwe cd Douce Victime opeens een bekend deuntje op. Het heet `Opzij'. Opzij? Zegt de titel nog niet zoveel? De eerste regel dan: `opzij, opzij, opzij'. Hijgerig gezongen, in een hoog tempo. Of de tweede regel: `maak plaats, maak plaats, maak plaats'. En de derde: `wij hebben ongelofelijke haast'.

Wie het kent is nu al vanzelf ongeduldige trappelbewegingen gaan maken. Het is het begin van een lied van Herman van Veen uit 1979. Een bescheiden hitparadehit toen, maar de beginwoorden raakten al snel gevleugeld en bleken bruikbaar voor iedereen die haast heeft, in de winkel of op de roltrap, op de stoep of bij het metrotourniquet. Men tikt de voorganger op de schouders, mompelzingt met een scheve grijns de eerste woorden – en glipt erlangs.

Nu werd dit lied, ook bekend uit de reclame, opeens gezongen door de mooie middeleeuwse stemmen van Annelies Brosens, Nathalie Delcroix en Jorunn Bauweraerts van Laïs. Als was het lied onlangs aangetroffen in een nieuw Antwerps Liedboek of op een tot nu toe over het hoofd geziene bladzijde van het Gruuthuuse-handschrift. Je kon er daardoor ineens weer met nieuwe oren naar luisteren.

Waar ging het over? Het ging over mensen met ongelofelijke haast, zeiden ze, die te laat waren, en daarom maar een paar minuten tijd hadden, en dus niet langer konden blijven. Ze moesten rennen, springen, vliegen, duiken, vallen – maar ook dan was het nog niet gedaan. Na het vallen mochten ze van zichzelf niet blijven liggen, maar moesten ze meteen opstaan en weer doorgaan. Een armzalige toestand.

Geen tijd voor een logeerpartij, geen tijd voor een gesprek, meldden ze in het voorbijgaan. Dat komt later misschien nog wel eens, zeiden ze, `als het echt moet'. Ooit kan er nog wel eens gepraat worden over koetjes (afko van koetjes en kalfjes), over voetbal en de lotto, maar nu even niet, want er moet weer snel (`nou dag, tot ziens, adieu, het ga je goed') verder worden gerend, gesprongen, gevlogen, gedoken, gevallen, opgestaan en weer doorgegaan.

Dat is de mededeling van het lied, in ongeveer een halve minuut gedaan, waarna het nog bijna drie minuten doorgaat met herhalen en, dat vooral, versnellen. Het lied schroeft zichzelf op, tot een vliegend tempo, met op drift rakende stemmen, hoge gillen en een zichzelf zowat om zeep helpende viool. Zo drukt de vorm nog eens uit wat de woorden meedelen: het moet sneller, sneller, sneller.

Typisch twintigste-eeuwse haast, had ik bij het zingen altijd gedacht. Een managerslied, een ode aan de winstgroeicijfers, een stressballade. Maar nu weet ik het niet meer. Nu ik het in de serene omgeving van middeleeuwse kloosterstemmen heb gehoord, is het toch een ander lied geworden. Misschien was het niet de bedoeling van Laïs, maar je hoort er nu aan af dat ze het vroeger in de Middeleeuwen ook wel eens druk moeten hebben gehad. Ze hadden dan wel geen voetbal, en vermoedelijk ook nog geen lotto, maar wel haast. In de nauwe steegjes en op de drukke marktpleinen moeten ze elkaar ook toen al in de rug hebben geprikt en op de hakken getrapt, zeggende `opzij, opzij, opzij'. Daar zou nog veel meer over te vertellen zijn, maar nu even niet, want ik heb ongelofelijke haast. Een andere keer misschien.

Een fragment van `Opzij' door Laïs is te beluisteren via www.nrc.nl