Sla die planeet toch kapot

In Dave Eggers' derde boek, een verhalenbundel, komen veel dieren voor. Van de broodmagere paarden bij het hek van een Costa-Ricaans hotel, tot de bloedende miereneter voor de deur van hun kamer, en tot het zwarte schaap dat wordt aangereden in het verhaal `Rust'. Het sleuteldier van Hoe hongerig wij zijn is evenwel het glorieuze hoofdpersonage uit het laatste verhaal, getiteld `Nadat ik in het water viel, voordat ik verdronk'. Daarin schrijft Eggers vanuit een jonge hond. Wie Eggers' werk kent, weet het al: die hond is hij zelf.

De hond uit dit laatste verhaal houdt van rennen. `O, wat ben ik een snelle hond. Ik ben een supersnelle, een sneller-dan-snelle hond. Zo is het, en ik vind het heerlijk dat ik zo snel ben, ik geef het toe, ik vind het heerlijk.' Zo luiden de eerste regels en verderop staat: `Ik ren om te voelen hoe mijn onderkaak gaat hangen, hoe mijn tong losraakt en aan de zijkant van mijn mond op en neer klapt, ik ga maar door, ik ga maar door, en ik heet Steven.'

Vervang rennen door schrijven, en je hebt een portret van een talent van wie de kracht nog steeds onstuimig en onbevangen is, zonder te kunnen worden betrapt op koketterie. Eggers gebruikt ook nog steeds titels die schijnbaar ontleend zijn aan jongensboeken of verdwenen gedichtenbundels, en dat effect blijft verfrissend. Opmerkelijk, want Dave Eggers (1970) is, sinds hij om Een Hartverscheurend Verhaal van Duizelingwekkende Genialiteit nagenoeg werd doodgeknuffeld, en nadat zijn eerste, maar later verschenen roman U zult versteld staan van onze beweeglijkheid nogal zuinig werd ontvangen, door de wol geverfd in het literair bedrijf. Hij gaat desondanks zijn eigen weg. Hij drijft zijn uitgeverij en tijdschrift McSweeney's en hij zet zich in voor de taalvaardigheid van jongeren uit achterstandmilieus.

Dat alles heeft niet geleid tot een afname van schrijfhonger, al evenmin tot verlies van zijn open wereldbeeld. Zijn personages zijn geen tobbers, al zijn ze verre van gewiekst en is er weinig waar ze in slagen. Voor tobben staan ze te veel in het nu; ze proberen maar gewoon wat. Ze hebben de moed of het geduld niet de dingen anders te denken dan ze zijn, al leven ze vaak in de verwachting dat er ieder moment iets groots kan gebeuren.

Dat geeft een innemende onbevangenheid aan de op zichzelf weinig spectaculaire, `volwassen' relatieverhalen als `Dat het water nat als olie is, kan maar één ding betekenen', waarin Pilar naar Costa Rica reist om Hand te verleiden, gewoon omdat zij hem nog niet gehad heeft. Of aan `Rust', het spiegelbeeld van `Dat het water', waarin de mannelijke hoofdpersoon zijn droomvrouw Erin met dezelfde bedoeling komt opzoeken in Edinburgh. Deze volwassenen zijn als kinderen die niet bij de les zijn. Ze manoeuvreren onhandig, maar altijd hoopvol.

Het postmoderne experiment speelt geen noemenswaardige rol meer in Hoe hongerig wij zijn. Eggers heeft het niet meer nodig, hoewel hij nog steeds, zoals in Een Hartverscheurend Verhaal van Duizelingwekkende Genialiteit, naïviteit en postmoderne capriolen weet te combineren. De `Aantekeningen voor een verhaal over een man die niet alleen wil sterven' zijn precies niets anders dan dat. Toch blijft het verhaal van de man overeind.

In `Naar het raam klimmen, doen alsof je danst' draait het om ene Fish die tegen heug en meug vijf uur in de auto zit om zijn vriend Adam te bezoeken, die zijn zevende zelfmoordpoging heeft gedaan. Fish is woedend op de kraaien en de koeien langs de weg. `Als je op deze manier moet rijden, krijg je zin om deze hele kloteplaneet stop te zetten en hem met een hamer kapot te slaan.'

Beeldspraak uit de wereld van een tienjarige jongen, Eggers is er goed in. Hij kan ook goed impulsen beschrijven die gedachten en plannen, calculaties en angsten in menselijke hoofden tijdelijk doen verdwijnen. Veel verhalen gaan over snelheidsdrang, of over de drang van mannen de liefde en bevestiging van een vrouw te veroveren. Er zijn een paar veel minder geslaagde innerlijke monologen; van een man die drie muren van het nieuwe tuinhuisje af wil hebben voordat zijn vrouw thuiskomt en van één die zich voorstelt hoe hij met zijn nieuwe liefde zal kunnen vliegen.

Eggers gaat maar door en hij vindt het heerlijk. High en met vernauwd bewustzijn – zijn figuren zijn licht in het hoofd van levenshonger. Toegegeven, soms zorgt die schrijfdrang ervoor dat Eggers te snel tot publicatie overgaat. Anderzijds is het diezelfde drang die maakt dat je hem wilt lezen.

Dave Eggers: Hoe hongerig wij zijn. Vertaald door Irving Pardoen. Vassallucci, 235 blz. €20,–. De Engelstalige editie How We Are Hungry verscheen bij Hamish Hamilton, 288 blz. €12,99