Paarlen voor de kinderen

`In de speeltuin circuleert een kinderblad. Het is een Walt Disney-achtig tijdschrift, dat hoofdzakelijk door strips wordt gevuld. Het is niet onzedelijk, het is niet verderfelijk, het is alleen maar lelijk. Afschuwelijk lelijk, smakeloos, en lorrig [...] Ik kijk het prul even in en ik moet niet lachen. Ik moet huilen. Huilen omdat dit blaadje in een oplaag van meer dan honderdduizend exemplaren verspreid wordt in ons land, terwijl er geen geld is voor een goed kinderblad'.

Dit is het vernietigende oordeel van Annie M.G. Schmidt over de Donald Duck dat in 1967 werd gepubliceerd in Voer voor Kinderen en dat wordt aangehaald in het net verschenen Het goede en het mooie. Het `goede kinderblad' waaraan Schmidt refereert was Kris-Kras, dat in 1966 na twaalf armlastige jaren (12.000 abonnees in de hoogtijdagen) werd geliquideerd.

Het goede en het mooie. De geschiedenis van Kris-Kras is een fascinerende, historische studie over de opzet, de achterliggende idealen en over teloorgang van een uniek, literair jeugdtijdschrift. Auteur Peter van den Hoven is degelijk in zijn aanpak en opzet. Na een inleiding en korte geschiedenis van het Nederlandse kindertijdschrift, volgen vier hoofdstukken over de inhoud van Kris-Kras en de betekenis van het blad voor de literaire, culturele, maatschappelijke en persoonlijke ontplooiing van de jeugd tussen 1954 en 1966. De bijlagen bevatten onder meer een opsomming van alle vervolgverhalen uit Kris-Kras die als boek zijn uitgegeven. Namen als An Rutgers van der Loeff, Thea Beckman, Jan Blokker en nog steeds verkrijgbare titels als Paulus de boskabouter (Jean Dulieu) en Wiplala (Schmidt), tonen onmiddellijk het stempel dat dit kindertijdschrift op de literaire emancipatie van kinderboeken heeft gedrukt.

Ondanks de soms wat saaie feitelijkheden over de praktijk van een jeugdtijdschrift van 1954 tot 1966 (zoals staatjes over abonnementsverloop), is Van den Hovens werk levendig genoeg. Dat is onder andere te danken aan citaten uit bijvoorbeeld het officiële overheidsrapport De maatschappelijke verwildering der jeugd (1952), waarin wordt gewaarschuwd voor en gesproken over de verderfelijke invloed van beeldcultuur (televisie en strips), jazz en blues en `verwilderde jeugd' die zich met volstrekt `verwaarloosd uiterlijk' schuldig maakt aan `ongedurige bewegingsoverdaad zonder doel', en gepeperde uitspraken als die van Schmidt. Teksten als deze geven een voortreffelijk beeld van de hoogstaande pedagogische en jeugdliteraire idealen van na de Tweede Wereldoorlog. Anno 2005 zijn het ondenkbare idealen.

Daarnaast tonen drie volledig gereproduceerde, kleurrijke nummers van Kris-Kras, met oorspronkelijk werk van onder andere Tonke Dragt en Leonie Kooyker, het hoge kwaliteitsgehalte aan, én hoe het tijdschrift, dat geïnitieerd werd door de bevlogen Hongaarse Ilona Maria Fennema-Zboray (1914–2001), functioneerde als podium en springplank voor aankomende auteurs en illustratoren.

Van den Hoven oordeelt nauwelijks. Toch verwijt hij Kris-Kras terecht amateurisme en gebrek aan zakelijk inzicht en realiteitszin ten aanzien van de oprukkende beeldcultuur. De artistieke en pedagogische idealen bleken principieel onverenigbaar met commerciële doeleinden. En die jammerlijke struisvogelpolitiek kostte Kris-Kras het leven.

Peter Van den Hoven: Het goede en het mooie. De geschiedenis van Kris-Kras. Biblion, 252 blz. €15,50