Onderwijs één

,,Als Europa ooit één moet worden gemaakt, zou ik dat doen door het onderwijs.'' Deze uitspraak wordt toegeschreven aan Jean Monnet, een van de grondleggers van de Europese Unie. Het is een apocriefe uitspraak. Juridisch gezien kan het onderwijs ook moeilijk dienen als een speerpunt van de eenwording, signaleerde de Tilburgse hoogleraar onderwijsrecht P.J.J.Zoontjens onlangs. In het belangrijke Gravier-arrest constateerde het Europese Hof van Justitie in Luxemburg met zoveel woorden ,,dat het onderwijsbeleid niet onder de bevoegdheid van de Unie-instellingen is gebracht''.

Dat was een uitspraak van twintig jaar geleden. Nu zegt hetzelfde Hof in de zaak-Bidar dat studenten die binnen de EU in een ander land gaan studeren in beginsel recht hebben op studiefinanciering. Dat opent de weg voor een uniform beurzen- en toelagenstelsel binnen de Unie, wel degelijk een vorm van eenmaking door het onderwijs. Het arrest-Bidar illustreert dat de erkenning van nationale bevoegdheden, zoals onderwijs, door het Europese Hof steeds meer een ritueel karakter krijgt. Het Hof erkent deze namelijk alleen op voorwaarde dat ze niet in strijd komen met de zogeheten vier vrijheden van de EU – het vrij verkeer van kapitaal, goederen, werknemers en diensten. En daarover wordt uiteindelijk niet beslist door de nationale regeringen, maar door het Europees gerechtshof. Dit geldt dan ook als de motor van de Europese eenwording.

Op deze manier is het Hof al enige tijd bezig harmonisatie van de belastingwetgeving binnen Europa af te dwingen, hoewel dat een nationale basisbevoegdheid is waaraan zeer wordt gehecht. Niet alleen wegens de directe budgettaire (dus politieke) gevolgen, maar ook wegens het vestigingsklimaat voor het internationale bedrijfsleven. Het is soms wel even schrikken van de consequenties van de Europese uitspraken, zei de fiscale specialist van het CDA, De Nerée tot Babberich, onlangs in een interview. Maar hij gaf eerlijk toe dat van de lidstaten weinig valt te verwachten, zodat het maar goed is dat ten minste één instantie – het Hof – zich inzet voor de fiscale harmonisatie.

In het geval van de studenten wordt de harmonisatie kracht bijgezet door de invoering van het Europees burgerschap door de EU. Daarbij werd expliciet aandacht besteed aan onderwijs. De actieve opstelling van het Hof heeft echter ook een keerzijde. Europa is geen eenheidsworst; er moet ruimte blijven voor onderlinge verschillen. Het Hof toont daar niet altijd oog voor. In de Oostenrijkse zaak-Ciola (1999) verbood het een quotum voor buitenlandse eigenaren van pleziervaartuigen. De lokale overheid voerde aan dat het totaal aantal aanlegvergunningen moest worden beperkt wegens milieuredenen. Verder beriep zij zich op de noodzaak plaatselijke booteigenaren te beschermen tegen gegadigden uit andere EU-landen die hen met hogere huurprijzen uit de eigen wateren zouden verdringen. Geen onzinnige argumenten, maar het Hof deed de zaak af op puur economische gronden.

Of het vlucht in vaagheid. Het arrest-Bidar verplicht de landen niet iedere EU-`studententoerist' toe te laten tot hun studiefinanciering. Ze mogen ,,enige binding'' eisen. Er dreigt al direct een nieuw geding over de vraag of de voorgestelde eis van vijf jaar verblijf in het gastland Europees aanvaardbaar is. De uitspraken van het Luxemburgse Hof zijn niet alleen een motor voor eenwording, maar ook voor steeds meer procedures.