Omstreden Wolfowitz naar Wereldbank: Geslaagde keuze

Veel waarnemers beschouwen George W. Bush' voordracht van Paul Wolfowitz, de Amerikaanse onderminister van Defensie, voor de functie van president van de Wereldbank als een merkwaardige stap voor beiden. Het is beter te zien wat het is: de voortzetting van neoconservatief buitenlands beleid met extra middelen. Het doel is nog altijd om de wereld veiliger te maken voor de VS door lastige landen op eigen terrein aan te pakken en te transformeren.

Maar anders dan het militaire fiasco in Irak heeft zo'n poging via de bank een kans van slagen – en de ontwikkelingslanden zouden er enige baat bij kunnen hebben.

Aan Wolfowitz' optreden tot dusverre ligt een consistent wereldbeeld ten grondslag, namelijk dat binnenlandse veranderingen in andere landen kunnen worden gerealiseerd door middel van agressieve interventie en door met nadruk te verkondigen wat Amerika wil. Zoals de recente wijziging van de criteria voor hulp die Washington hanteert heeft laten zien, ziet de regering-Bush het inzake ontwikkeling zo, dat door Amerika gestelde voorwaarden – waaraan daadwerkelijk de hand wordt gehouden – uitmaken of een bepaald regime wordt beloond of gestraft. Wat de verlichting van de armoede betreft is de bezorgdheid onder realisten op het gebied van het buitenlands beleid – namelijk dat dergelijk unilateraal optreden alleen maar meer vijanden, instabiliteit of rivaliteit tussen grote mogendheden zal creëren – in de militaire sfeer wél van toepassing, maar hier niet.

Net als in het Amerikaanse veiligheidsbeleid zal de aandacht vooral uitgaan naar het Midden-Oosten. Ieder langetermijnbeleid van het Westen zal vooral gericht zijn op economische integratie van de regio. De aankoop van vreedzaam gedrag van de Palestijnen staat wel op het boodschappenlijstje, maar is van ondergeschikt belang. De voornaamste belangen van Amerika zijn: economische beloningen verstrekken aan landen in de regio die vrede sluiten – zie de Amerikaans-Jordaanse vrijhandelsovereenkomst –, verdergaande integratie van Israël met zijn buurlanden, lucratief emplooi vinden voor ongedurige islamitische jongemannen en, uiteindelijk, stabilisering van westers gezinde regimes door expansie van de middenklasse.

De Wereldbank zou weleens de enige instelling kunnen zijn waarmee Wolfowitz deze doelstellingen van buitenlands beleid kan nastreven. De bank kan deskundigen leveren voor adviezen, fondsen voor infrastructuur, en technische bijstand voor de creatie van kaders van opgeleide mensen ter plaatse die belang hebben bij handhaving van het bestel (wat gemakkelijker is dan het opleiden van politie in Irak, zij het vergelijkbaar met de inzet van mensen ter plaatse). De bank beschikt over eigen medewerkers in de regio en – in samenwerking met het Internationaal Monetair Fonds – over een `inlichtingen'-netwerk om de ontwikkelingen te volgen. Het kan ook als positief voor de regering-Bush worden gezien dat de economische ontwikkeling moet worden geïntegreerd in het Amerikaanse buitenlands beleid als geheel.

Maar als er in de eerste plaats wordt gestreefd naar economische integratie van het Midden-Oosten, zou dat betekenen dat de bank openlijk voor Amerikaans buitenlands beleid wordt gebruikt, in plaats van voor haar eigen taken. Inderdaad zou dat een ommekeer betekenen voor de recente trend om ontwikkelingslanden een grotere stem te geven in de besluitvorming van de bank, en om binnen de doeleconomieën de civil society meer zeggenschap te geven over de opzet van programma's. Laat niemand zich daar illusies over maken. Maar anders dan de benoeming van John Bolton als Amerikaans ambassadeur bij de Verenigde Naties gaat het er bij de benoeming van Wolfowitz bij de bank om gebruik te maken van de instelling in kwestie, niet om haar onbruikbaar te maken. [...] Goedkope vergelijkingen met de overstap van Robert McNamara van de Amerikaanse defensie naar de bank ter zijde gelaten, is er een kans dat de benoeming van Wolfowitz ons op twee positieve manieren terugvoert naar het begin van de jaren zestig: ten eerste zouden de VS misschien op althans een paar veiligheidsterreinen militair optreden vervangen door economische gulheid, en ten tweede zouden de VS economische ontwikkeling opvatten als een probleem op het vlak van het buitenlands beleid en als een prioriteit.

Wat dacht u van een `oorlog tegen de armoede'?

Adam Posen, Senior fellow aan The Institute for International Economics in Washington, in de Financial Times