Lezen is ploeteren

Nederlandse critici beoordelen romans steeds vaker op grond van buitenliteraire criteria. Meningen lijken vooral `spraakmakend' te moeten zijn – zie de ontvangst van `Casino' van Marja Brouwers.

In november 1939 had een ontmoeting plaats tussen twee bekende literatuurbeschouwers uit het interbellum. Het waren W.L.M.E. van Leeuwen, neerlandicus en criticus van het Twentse dagblad Tubantia en de als cynicus bekendstaande polemist E. du Perron. Samen gingen ze een bezoek brengen aan de dichter A. Roland Holst in Bergen aan Zee. Uiteraard praatte het drietal over de stand van de Nederlandse letteren. Tijdens die conversatie beklaagde Van Leeuwen zich over de boekenlast waarmee recensenten zich ook toen al overvoerd voelden. Ga er maar aan staan als dagbladcriticus. Je moet alles wat verschijnt bijhouden en serieus bestuderen alvorens er een oordeel over te formuleren, merkte Van Leeuwen op. Vooral vond hij het moeilijk om niveau te handhaven en toch objectief te blijven. Du Perron beaamde dit, waarop Roland Holst zich kort in het gesprek mengde met de ietwat nuffige opmerking: ,,Daarom lees ik nooit iets.''

Toen ik over dit gesprek las in de onlangs verschenen Du Perron-biografie van Kees Snoek, bekroop me onwillekeurig een gevoel van herkenning. Zonder mezelf op één lijn te willen stellen met de erudiete Van Leeuwen, auteur van onder meer Drift en Bezinning, zijn geschiedenis van de nieuwe Noord-Nederlandse letterkunde uit 1936, probeer ik net zoals deze zwoeger alles wat in Nederland aan literatuur verschijnt zo goed en zo kwaad als mogelijk is bij te houden en een boek serieus te bestuderen alvorens er een oordeel over te vellen.

Als we het gesprek naar nu verplaatsen, zou je Du Perron kunnen vergelijken met een type criticus als Carel Peeters van Vrij Nederland, iemand die zich geruime tijd in zijn blad de luxe kon permitteren het niveau van de literaire kritiek te handhaven met scherpzinnige essays. A. Roland Holst, met zijn `daarom lees ik nooit iets', deed me denken aan Michaël Zeeman, criticus van de Volkskrant en voorheen presentator van een door mij gewaardeerd boekenprogramma op de televisie. Vast en zeker is hij zeer belezen, maar als het gaat over wat tegenwoordig verschijnt, vaardigt hij vanaf de top van de Parnassus toch voornamelijk literaire oekazes uit over de kwaliteit van door hem niet gelezen literaire producten. Als voorzitter van de voortijdig gesneefde jury die een Gouden Doerian wilde uitreiken voor het slechtste Nederlandse boek, gaf hij vrolijk toe geen van de genomineerde boeken zelfs maar te hebben ingezien. Niet lezen en wel oordelen, het is de ultieme verleiding van de beroepslezer.

Nu is dit affairetje met de Gouden Doerian een extreme omkering van het ideaal dat Van Leeuwen voor ogen stond. Toch is het exemplarisch voor een kwaal waaraan de literaire kritiek onderhevig lijkt te zijn: het is fysiek onmogelijk alles wat verschijnt bij te houden en te bestuderen, maar vaak wordt de indruk gewekt dat dit een oordeel niet in de weg staat.

Wie controleert de critici? Het was deze vraag die W.L.M.E. van Leeuwen in zijn gesprek met Du Perron en Roland Holst al aan de orde wilde stellen. Het voor de hand liggende antwoord is dat een recensent wordt gecontroleerd door zijn lezers. Hij wordt beoordeeld op de zuiverheid van zijn oordeel en de manier waarop hij dat oordeel beargumenteert en verwoordt. Een criticus die, om welke reden dan ook – vriendjespolitiek, analytisch onvermogen maar misschien ook een vorm van machtswellust – bij herhaling de plank misslaat, verliest zijn geloofwaardigheid. Gebrek aan overzicht en professionaliteit en in plaats daarvan kliekjesgeest en egotripperij, staan tegenover onafhankelijke, onderbouwde naar objectiviteit strevende kritiek.

De receptie van literair werk maakt af en toe een willekeurige indruk, afhankelijk van de luimen en de smaak van de dienstdoende recensent, waardoor een onsamenhangend en versnipperd beeld ontstaat van de literaire productie. Ongetwijfeld liggen daaraan ontwikkelingen ten grondslag waar individuele literatuurbeschouwers niet voor verantwoordelijk zijn. De slagwoorden zijn bekend: de zap-cultuur, de individualisering, de verandering van de staatsburger in consument, de met de ontzuiling ingezette verdwijning van levensbeschouwelijke stromingen die op een breed gebied, inclusief de cultuur, een min of meer consistente visie uitdroegen.

Niet dat ik terugverlang naar de kunstpausen van weleer. Met kunstpausen bedoel ik de heren die ex cathedra namens een bepaalde stroming een machtswoord konden spreken, vaak mensen van groot kaliber, maar met een evidente levensbeschouwelijke vooringenomenheid. Dat waren in de jaren dertig en soms nog ver daarna beroemdheden als P.H. Ritter jr, Menno ter Braak, Dirk Coster, Anthonie Donker, Anton van Duinkerken en na de Tweede Wereldoorlog Hans Gomperts, Adriaan Morriën, de vroege Kees Fens en K.L. Poll. Zij maakten elk in hun krantenkoninkrijkje de dienst uit. Hun waardering voor werken van schone kunst, zoals dat heette, cirkelde veelal om de vraag of een boek voor hun achterban al dan niet `geschikt' was. Van Duinkerken bijvoorbeeld maakte in De Tijd uit of rooms-katholieken iets moesten of mochten lezen.

Die kunstpausen schreven mooie en belangrijke stukken, daar niet van. Maar ook bij hen ontbrak willekeur niet. De omkoopbaarheid van P.H. Ritter was notoir, het seksisme van Menno ter Braak is uitvoerig beschreven in het proefschrift van Erica van Boven Een hoofdstuk apart: vrouwelijke literatoren konden geen goed doen. Bij NRC Handelsblad, we zitten dan al in de jaren tachtig van de twintigste eeuw, bepaalde de voorkeur van K.L. Poll de norm. Zo was bekend dat Poll een hekel had aan het werk van Hugo Claus. Toen in 1983 Het verdriet van België verscheen, bood een keur van recensenten zich aan om erover te schrijven. Maar Poll – die altijd zijn appeltje te schillen had – meende dat hij de aangewezen figuur was. Het verdriet van België werd neergesabeld. Het was een meesterwerk, maar die Claus kon niet deugen. Zo maakte de kritiek zichzelf ongeloofwaardig.

De vraag is nu wat er voor de kunstpausen van vroeger in de plaats is gekomen. Dreigt de gezaghebbende rol van de criticus van weleer niet te worden overgenomen door de propagandamachines van machtige uitgeversconcerns, die met groot spektakel titels `in de markt' zetten en kritiekloze radio- en tv-presentatoren voor hun reclamekarretjes spannen? Onafhankelijke critici die, in de geest van W.L.M.E. van Leeuwen, objectiviteit nastreven, alles wat verschijnt bijhouden en serieus bestuderen alvorens er een oordeel over te formuleren, lijken schaarser te zijn geworden. Een uitgeefster vertelde mij onlangs dat de grootste deceptie die ze in haar vak heeft meegemaakt de ontdekking is dat er critici bestaan die boeken niet beoordelen op hun literaire kwaliteit, maar vooral geboeid zijn door de status die hun recensies hun zèlf verschaffen.

Ik wil me hoeden voor generalisaties, maar iedereen die het literaire bedrijf volgt, kent wel de voorbeelden: de critici die geen oordeel durven vellen omdat zij de kat uit de boom kijken; de lollige stukjesschrijvers die over de ruggen van schrijvers heen de cabaretier proberen uit te hangen; de prelaten die geen gezag hebben maar wel invloed willen. De Gouden Doerian is alleen maar een symptoom. Het niet-beargumenteerd aanprijzen dan wel afbranden van literaire werken, met als enige bedoeling invloed en ego-strelende aandacht te verwerven, is geen uitzondering. Zo bezien zou je, met enige overdrijving, kunnen zeggen dat de arrogantie van de macht der kunstpausen plaatsmaakt voor de arrogante onmacht van de dorpspastoor.

Idealiter moet de lezer blind kunnen varen op de analyse en argumentatie van een recensent. Dat betekent niet dat men met zijn oordeel hoeft in te stemmen. Wat telt is dat dit oordeel eerlijk en onafhankelijk, na gedegen lezing en zonder bijbedoeling tot stand is gekomen. Dit lijkt allemaal eenvoudiger dan het in de praktijk is. Enige toelichting is dus op zijn plaats.

Als voorbeeld van de arrogante onmacht in de literaire kritiek noem ik de receptie van de een jaar geleden verschenen roman Casino van Marja Brouwers, een langverwacht, ambitieus werk van een gerenommeerd schrijfster. Haar boek heeft een bijzonder aansprekend en actueel thema: de in de jaren negentig ingezette verloedering van de moraal als gevolg van de pervertering van de idealen uit de jaren zestig en zeventig. Ik kies Casino als voorbeeld omdat ik dit boek vóór de verschijning ervan heb gelezen maar niet zelf heb gerecenseerd. Zo kon ik mijn eigen waardering onbekommerd toetsen aan het oordeel van anderen. Kort en goed: ik bewonder Marja Brouwers, maar vond de grote greep waarmee zij in Casino de tijd en de eeuwigheid trachtte te vatten uiteindelijk een mislukking. Op de roman zijn zeer uiteenlopende reacties gekomen, zowel positief als negatief.

De eerste recensies verschenen op 5 maart 2004 in NRC Handelsblad en Het Parool, geschreven door respectievelijk Pieter Steinz en Daniëlle Serdijn. Uit de presentatie in NRC Handelsblad bleek dat de recensent het een belangrijk boek vond, dat beslist niet achteloos terzijde mocht worden geschoven. Met een keur van argumenten en na een voorbeeldige tekstanalyse kwam hij niettemin tot een negatief oordeel. Hij had geen waardering kunnen opbrengen voor de encyclopedische uitweidingen die Brouwers' verhaal hinderlijk onderbreken, noch voor de onhandige manier waarop ze haar traktaten over seksuologie, astrologie, psychologie, theologie, alsmede de uit krantenleggers navertelde IRT-affaire in de roman heeft verwerkt.

Het verhaal is grotendeels geschreven vanuit het perspectief van journalist Rink de Vilder, een figuur die onmogelijk over alle kennis kan beschikken die door Brouwers in essayistische exposés wordt geëtaleerd, zodat, aldus Steinz ,,de lezer zich bij elke nieuwe passage over de betekenis van Death of a Salesman of de moderne invulling van de Zeven Hoofdzonden afvraagt wie nu eigenlijk aan het woord is.'' Steinz' op zuiver literaire gronden gebaseerde oordeel was onverbiddelijk. ,,Teleurstellend'', luidde het verdict. ,,De schrijfster kan veel, wilde veel, maar kwam uit op een mengelmoes van pompeuze cultuurkritiek en zwakke plotlijnen.''

Daniëlle Serdijn kwam tot een diametraal tegengestelde waardering: ,,weergaloze roman'', was haar mening. Met de wijze waarop Brouwers haar filosofische en politieke verhandelingen ventileert had zij geen moeite. Voor haar was zonneklaar dat de betogen die het verhaal onderbreken afkomstig zijn van `een onbekende filosoferende en commentaar leverende veelweter'. Haar enige bezwaar was dat niet alle standpunten en inzichten die Brouwers verwoord had nieuw of onomstreden zijn, terwijl ze wel erg stellig gepresenteerd worden. ,,Zo is'', schreef Serdijn, ,,het standpunt dat zij inneemt over de generatie van 1968 (die kort gezegd deugde en het goed bedoelde) erg gekleurd door haar leeftijd.'' Dit laatste lijkt mij een zuiver buitenliterair argument. Maar afgezien daarvan: met deze opmerking gaf de recensente er blijk van de portee van deze `weergaloze roman' niet begrepen te hebben. Brouwers maakt juist korte metten met de generatie van de babyboomers, die met hun dwaze utopieën het bordeel (de letterlijke vertaling van casino) waarin Nederland sinds de jaren negentig is veranderd heeft voortgebracht.

Opvallend was het ontbreken van een recensie van Casino in de Volkskrant. Er kon zelfs geen denigrerend cabaratesk stukje vanaf. Het leek alsof men zijn vingers er niet aan wilde branden. In plaats van een kritiek publiceerde de redactie een week later een interview met de schrijfster door Aleid Truijens. Ik hou van schrijversinterviews, maar deze kunnen slechts bedoeld zijn als een aanvulling op en niet als vervanging van het kritische oordeel van een recensent. Het was een informatief, goed opgeschreven verhaal, waarin Marja Brouwers onder meer opmerkt: ,,Als Dante nu een Divina Commedia zou schrijven, dan zou hij het zo doen.'' Zij zei dit, tekent Truijens aan, zonder spoor van twijfel. Die hoort dan ook door anderen onder woorden te worden gebracht.

Tot op de dag van vandaag is in de Volkskrant geen recensie van de komedie van de zelfverklaarde hedendaagse Dante verschenen. Wel kwam er tot tweemaal toe een herderlijk schrijven uit Rome. Drie dagen nadat Marja Brouwers in het interview had uitgelegd hoe haar boek dient te worden begrepen, kwalificeerde Michaël Zeeman – die tegenwoordig correspondent is in Italië – in een column Casino urbi et orbi als ,,de belangrijkste roman die in heel lange tijd in Nederland is verschenen en tenminste het eerste literaire boek voor volwassenen in jaren''.

Het behoeft blijkbaar geen betoog dat al het recente werk van auteurs als Bernlef, Renate Dorrestein, Hella S. Haasse, Arnon Grunberg, A.F.Th. van der Heijden, Tomas Lieske, Harry Mulisch, Cees Nooteboom, Wanda Reisel, Thomas Rosenboom, Allard Schröder, Maria Stahlie, J.J. Voskuil – om maar een kleine greep te doen – volgens Zeeman van geen enkele waarde is. Per column wordt zo de gehele contemporaine Nederlandse literatuur afgeschaft.

Met uitzondering dus van Casino, maar literaire argumenten voor dat oordeel geeft Zeeman niet. Wat Brouwers' boek in zijn ogen `zo weergaloos interessant' maakt, is de aanval ,,op de zelfvoldane gelijkhebberigheid die de generatie van '68 in de jaren waarin zij aan de macht kwam heeft uitgedragen''. En daarom, verordonneerde hij, moet Brouwers' boek ,,gelezen en herlezen, besproken en bediscussieerd worden''.

In de meeste kranten was dat toen inmiddels al gebeurd. Trouw publiceerde twee dagen voor Zeemans encykliek een vernietigende recensie van Tom van Deel, waarin hij vooral kritiek uitte op Brouwers' ,,neiging om het verhaal te onderbreken met soms ellenlange verhandelingen''. ,,Ik begrijp wel'', zo voegde hij eraan toe, ,,dat die bedoeld zijn als een soort tegenwerking van de zich maar al te gretig identificerende lezer, maar ze verscheuren de roman hoe dan ook.'' Onvoorstelbaar noemde hij het dat Brouwers zichzelf heeft toegestaan haar spannende verhaal zo te vervuilen. ,,Casino schreeuwt in feite om diagonaal lezen en dat is het ergste wat je een roman kunt aandoen.''

In Vrij Nederland van die week was Casino uitermate positief besproken door Jeroen Vullings. Volgens hem verleent juist `de alwetende verteller', die in de beschouwende delen van de roman `hardop nadenkt' over de maatschappelijke en filosofische actualiteit van de jaren negentig, ,,deze grootse roman zijn dramatische kracht''. Het is een visie die haaks staat op die van andere serieuze recensenten, maar die door Vullings in zijn recensie niet wordt onderbouwd en waargemaakt. Lezers die op grond van deze aanbeveling aan Casino zijn begonnen, kunnen zich niet anders dan bedrogen voelen.

Terug naar Zeeman: bij zijn collega's van de Volkskrant vond zijn oproep tot een bespreking van Casino geen gehoor en daarom besloot hij er zélf alsnog de hele voorpagina van de boekenbijlage Cicero aan te wijden, echter zonder op het boek en de literaire kwaliteit ervan in te gaan. Het was een beschouwing over de thematiek – de afrekening met de jaren zestig – waar Zeeman Casino helemaal niet voor nodig had. ,,Het belang van Brouwers' boek is temeer zo groot'', schreef hij onder meer, ,,omdat het niet op zichzelf staat: verleden jaar verschenen er romans van Herman Franke (Wolfstonen), Orhan Pamuk (Sneeuw), Jens Christian Grøndahl (Veranderend Licht) en, iets eerder, Robert Menasse (De verdrijving uit de hel) die een vergelijkbare ambitie of – ten minste – belangstelling demonstreerden. Op nog iets grotere afstand valt te denken aan het werk van Michel Houellebecq, die de teloorgang en pervertering van de idealen van de soixanthuitards tot zijn onderwerp maakte.''

Nu is er thematisch inderdaad verwantschap tussen Brouwers' Casino en Elementaire deeltjes van Houellebecq, maar de vergelijking gaat volledig mank als men er stijl, vakmanschap, vertelplezier, analytisch vermogen en humor in betrekt. Dan gaapt er een wereld van verschil tussen het zure, stroeve Casino en de bijtende virtuositeit van het Franse enfant terrible.

Voorzover bij de receptie van Casino literaire argumenten zijn gehanteerd, waren de oordelen vrijwel unaniem negatief. ,,Helaas'', schreef Thomas van den Bergh in Elsevier, ,,zit Casino vol met betogende hoofdstukken, gesteld in proza dat rechtstreeks afkomstig lijkt uit de eerste de beste syllabus.'' Literaire jury's kwamen tot dusver niet tot een nominatie van het boek. Wél dook het aan het einde van het jaar op in lijstjes met `beste boeken van 2004'. NRC Handelsblad-criticus Arnold Heumakers roemde daarin Casino als `bitse roman (met dank aan Kundera voor de essayistische interrupties)', Hans Goedkoop koos het uit als `verwoestend geestige roman'. In Trouw beval Elma Drayer Casino aan omdat het zo `meeslepend' geschreven is. Wel raadde ze de lezers aan Brouwers' ,,wijsneuzige lemmata over pakweg sterrenstelsel, Rousseau en de zeven hoofdzonden over te slaan''. Aan deze meest dodelijke kritiek die je de roman maar kunt geven voegde ze niettemin toe: ,,Onbegrijpelijk genoeg voor geen enkele prijs genomineerd.''

Hier stuiten we op een merkwaardig fenomeen. De aanbevelingen beperkten zich tot onbeargumenteerde oneliners. Dat kan ook niet anders in dergelijke lijstjes, maar ze moeten niet verward worden met literaire kritiek. Wie zich daar wel aan waagde, blijft zitten met de vraag of hij een meesterwerk niet als zodanig heeft onderkend. Hoe verhoudt Casino zich werkelijk tot Dantes Goddelijke Komedie? Is er een rechtvaardiging te vinden voor de apodictische stelling dat het de ,,beste roman is die in heel lange tijd in Nederland is verschenen''?

Het probleem is dat literaire werken van vaderlandse bodem steeds vaker worden verketterd dan wel aangeprezen op grond van buitenliteraire criteria. Meningen moeten `spraakmakend' zijn, invloed of status verlenen, dat is de trend. Maar lezen en recenseren is vaak ploeteren. Onbevooroordeeld lezen ligt aan de basis van elke zinnige beoordeling, de rest is gratuit gepraat.

Daarom staat tegenover het `daarom lees ik nooit iets' van Adriaan Roland Holst nog steeds de verzuchting van Van Leeuwen, die voor alles een goed lezer was. Hij beschouwde de criticus als iemand met een dienende taak, die ten behoeve van zijn lezers zoveel mogelijk alles bijhoudt wat verschijnt, selecteert wat van belang lijkt en pas een oordeel formuleert als hij een boek grondig heeft geanalyseerd. Het niveau van een recensie staat of valt met de motivering van het oordeel, hoe dat ook uitpakt.

Uiteraard hoort een criticus bereid te zijn oordelen ter discussie te stellen en eventueel te herzien. Dat is ook het belang van literaire prijzen, die bedoeld zijn om boeken te eren en onder de aandacht te brengen in plaats van ze als stinkende vruchten uit te kotsen. Wie weet wordt Casino maandag genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en komt het boek in mei als winnaar uit de bus. Wie weet leidt dit tot nieuw debat en krijgt dit boek een tweede kans, zowel bij critici als het publiek, voor wie het tenslotte allemaal is bedoeld.

Dit is de bewerking van de lezing die Elsbeth Etty gisteravond gaf als gastcriticus aan de Universiteit van Groningen.