Het verdriet van de publieke sector

Iedereen die werkt in de publieke sector kent de risico's van dat vak. Op elk onbewaakt ogenblik kan het noodlot toeslaan en kunnen journalisten of politici besluiten dat de incidenten die zich in jouw sector afspelen niet zomaar incidenten zijn, maar structurele problemen die vragen om radicale oplossingen. Zo heb ik een week of zes geleden met verbijstering zitten kijken naar een aflevering van Netwerk, waarin staatssecretaris Rutte zich door enkele eerstejaarsstudenten liet informeren over de wantoestanden aan de universiteit. Voor dit doel waren enkele zeer gemotiveerde eerstejaarsstudenten geselecteerd, die het academisch onderwijs ,,niet diep genoeg'' vonden gaan. De documentaire suggereerde dat dit gevoel breed gedeeld werd onder eerstejaars en Rutte riep de studenten op in actie te komen en bij het college van bestuur van hun instelling diepgaand onderwijs te eisen. Je zag de studenten ongemakkelijk reageren. Dit type studenten (waar elke universitaire docent dolblij mee is) weet namelijk best dat docenten niets liever zouden doen dan academisch onderwijs verzorgen op een zo hoog mogelijk niveau. Helaas vormen deze zeer gemotiveerde eerstejaars in alfa en gamma faculteiten een kleine minderheid. Het gros van hun medestudenten is in het eerste jaar bezig met andere dingen dan de studie: op kamers wonen, lid worden van een studentenvereniging, uitgaan en feestvieren. Dat maakt hen helemaal niet tot slechte mensen, maar de suggestie dat het academische vuur in deze studenten gedoofd zou zijn door de lamlendige houding van de wetenschappelijke staf aan de universiteit is te gek voor woorden. Rutte kreeg de kous op de kop: de studenten kwamen inderdaad in actie, maar keerden zich vooral tegen zijn eigen plannen om de studieduur te bekorten. Zij wilden namelijk de tijd kunnen nemen voor hun persoonlijke groei. Niks geen gezeur over academische diepgang.

Lang niet altijd hebben publieke instellingen zoveel geluk. Wat kunnen werknemers in verpleeghuizen beginnen tegen de zoveelste Nova-documentaire over de wantoestanden in hun sector? Ik ken verpleeghuizen waar men gespeeld heeft met de gedachte een pr-medewerker aan te trekken voor een publicitair tegenoffensief. Gelukkig realiseerde men zich tijdig dat dit een hele treurige besteding van publieke middelen zou zijn. Toen probeerde men zich maar op te trekken aan de rouwadvertenties waarin hun instelling werd bedankt voor de liefdevolle zorg aan vader of moeder tijdens de laatste levensfase.

Docenten aan vmbo-scholen doen na elke golf van negatieve publiciteit hun best om ouders van aanstaande leerlingen ervan te verzekeren dat 80 procent van hun leerlingen lief en aardig is en best iets wil leren. Dat maakt het leven met 20 procent probleemleerlingen, die na een hausse van `Weer samen naar school'-initiatieven nog maar zelden kunnen worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs, niet makkelijker, maar het relativeert de krantenberichten wel.

Werknemers in het basisonderwijs en in de gezondheidszorg kunnen zich bij negatieve media-aandacht beroepen op een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau over de prestaties van de publieke sector, verschenen in 2002. Daaruit bleek dat mensen die eigen ervaringen hadden met de zorg of het lager onderwijs veel positiever oordeelden over deze instanties dan burgers die hun oordeel enkel baseerden op de media.

Negatieve publiciteit is het ergst voor die delen van de publieke sector die te maken hebben met de echte probleemgevallen in de maatschappij. Denk aan reclasseringsambtenaren die gewezen criminelen moeten begeleiden bij hun terugkeer op het rechte pad. Hulpverleners die zwervers en verslaafden tot een vorm van opvang en een afkickprogramma moeten bewegen. Gezinsvoogden die te maken krijgen met woedende ouders als zij een kind onder toezicht stellen en uit huis plaatsen (denk aan een pas afgestudeerde jonge vrouw, die met gierende zenuwen op weg gaat naar een zigeunerkamp om een van de vaders uit te leggen dat hij zijn kinderen naar school moet sturen en niet mag afrossen met een riem). Gezinsvoogden die zich anderzijds eindeloos schuldig voelen als zij een kind thuis hebben laten blijven en het daar uit de hand loopt. Wat moeten dergelijke hulpverleners bij negatieve publiciteit? Ze kunnen zich niet beroepen op gunstige rendementscijfers. Een groot deel van de gewezen boeven recidiveert. Afgekickte junks vervallen gedurig in oude zonden. Er zijn niet veel succesverhalen van `multiprobleemgezinnen' die door de hulpverlening werden omgevormd tot goed functionerende huishoudens met verstandige, liefhebbende ouders en welopgevoede kinderen. Men kan zich waarschijnlijk ook niet troosten met gunstige uitkomsten van een cliënttevredenheidsonderzoek. Het percentage cliënten in deze sectoren dat uit zichzelf de hulpverlener een compliment maakt of bedankt, ligt vermoedelijk laag.

Tegen deze achtergrond lijkt het mij te makkelijk om goedwillende hulpverleners als de gezinsvoogd van de kleine Savanna uit Alphen aan de Rijn aansprakelijk te stellen voor haar dood en strafrechtelijk te vervolgen. Wat wil het openbaar ministerie daarmee bereiken? Dat er bij twijfel direct uit huis geplaatst wordt, met alle ellende van dien (veel televisieprogramma's over desperate ouders)? Dat hulpverleners zullen passen voor de moeilijke rol van gezinsvoogd?

Een klein beetje clementie voor mensen met een heel zwaar vak lijkt mij niet verkeerd.