Het paradijs ben je zelf

WINDHOEK. Van New York vloog ik naar Tel Aviv, van Tel Aviv naar Johannesburg en van Johannesburg naar Windhoek. In Windhoek zou ik iets gaan zoeken, al wist ik niet wat. Hetzelfde, denk ik. Waar heb ik er nog niet naar gezocht?

Op het vliegveld van Johannesburg kreeg ik last van de verschijnselen die gepaard gaan met de zoektocht. Duizeligheid, moeheid, neiging tot braken. Ik ging op drie kuipstoeltjes liggen, tegenover gate 22, met mijn voeten op mijn computertas, en viel in slaap. Een nummer van Foreign Affairs dat ik in een opwelling in de krantenkiosk had gekocht deed dienst als kussen. Zo slapen asielzoekers en reizigers met te weinig geld. In het verleden had ik altijd wat meewarig naar de slapenden op vliegvelden gekeken, de gestranden. Vóór het lichaam breekt, vóór de geest breekt, breekt de waardigheid.

Het was zomer in Johannesburg, en er was onweer voorspeld.

In de bus op weg naar het vliegtuig begreep ik dat ik op weg was naar een andere wereld. De gezichten van de blanken waren groter dan die in New York, de lichamen forser, de kleding gekocht in winkels die in het westen niet meer bestaan. De woestenij begint in het gezicht.

Na een half uur vliegen werd ik wakker, de gele onweerswolken van Johannesburg waren verdwenen. Beneden mij zag ik rode woestijn.

Er waren toeristen in het vliegtuig maar die zagen er anders uit dan ik. Georganiseerder. Tijdens de landing begon het vliegtuig vervaarlijk te schudden, ondanks de heldere lucht, en ik begreep: dit is waarom ze het Windhoek noemen.

Ik tuurde uit het raam op zoek naar de stad, maar ik zag niets dan de woestijn zelf. Niet eens een enkel huis, een boerderij, een aanzet tot een buitenwijk: niets.

De reizigers daalden de trap af, ze moesten een stuk over het vliegveld lopen het felle zonlicht deed mijn ogen tranen en ze kwamen vervolgens terecht in een klein maar schoon gebouw waar ze verwelkomd werden met een bord waarop stond: `Welkom in belastingparadijs Namibië.'

Waar ik ben is het belastingparadijs niet ver weg, maar het probleem is dat je er niet meer uitkomt. Het paradijs laat je nooit meer los.

Ik was de enige reiziger die zijn winterjas nog aan had, want die paste niet meer in mijn koffer.

Bij de bagageband stond de radio aan. Het was maandagmiddag half een lokale tijd, eenendertig graden en Radio Windhoek meldde dat het hoge gerechtshof van Namibië besloten had streng op te treden tegen kinderverkrachters.

Tegenover de bagageband stond een groep vrouwelijke padvinders van het blanke ras. De padvinders hadden zich anders dan ik wel gekleed op de Kalahari Woestijn. Ze wachtten op hun begeleider, en doodden de tijd door te spelen met een tol.

Met mijn koffers haastte ik mij door de douane. Al wat ik wilde was mij uitkleden.

Eenmaal in de aankomsthal ging alles aan mij voorbij.

De man in zijn winterjas zocht een bordje met `taxi's'. Maar zo'n bordje bestaat niet op Windhoek International Airport. De man in zijn winterjas liep naar buiten, iemand pakte zijn koffer uit zijn hand, en voor hij het wist zat hij in een Mercedes uit begin jaren zeventig.

Op de achterbank deed ik mijn winterjas uit.

Ik zag nog steeds geen stad, geen huis, geen winkel. Het vliegveld van Windhoek lag in het niets.

De chauffeur draaide zich om, en zei: ,,Mijn taxi is de schoonste van heel Namibië.''

Ik vroeg: ,,Is het goed als ik in Amerikaanse dollars betaal?''

De chauffeur zei: ,,We gaan wel naar een bank.''

Ik keek naar buiten. Er was weinig verkeer op de weg, zeg maar geen. Ook nog altijd geen huizen.

Mijn chauffeur zei: ,,Ik heet Winfred. Ik heb sigaretten afgezworen, ik heb drank afgezworen, ik heb mij overgeleverd aan de Heer.''

Hij zette muziek op. Gospelmuziek. De hoes van het bandje gaf hij aan mij. Drie zwarte meisjes van een jaar of negen die de heer prezen. Hun hoge stemmen deden pijn aan mijn oren.

,,Ik heb zelf ook kinderen'', zei hij. ,,Dit is mijn oudste. Hannes.''

Hij reikte me een foto aan. Een zwart jongetje in een schooluniform. Zo zat ik daar op de achterbank met Hannes in mijn hand, gospelmuziek op de achtergrond en een aardig uitzicht op de woestijn.

Dit was mijn leven, het viel niet te ontkennen. Dit was het, en dit moest het misschien maar zijn. Het paradijs, dat ben je zelf.

We kwamen langs een bord met Airport Lodge.

,,Dat is een goed hotel'', zei Winfred. ,,Soms breng ik daar mensen heen, de dag voor ze vertrekken, dat ze dichter bij het vliegveld zijn. Het is 45 kilometer naar de stad, dat weet je?''

,,Oh ja'', zei ik. Maar ik wist het niet. Reisgidsen lees ik vluchtig, vooral als ik nog niet op de plaats van bestemming ben.

We reden langs een vrachtwagen met aanhanger die op zijn kant lag. Er stonden twee mannen naast. Hopeloos. Die vrachtwagen zou nooit meer overeind komen. De eerste dode die ik in de Kalahariwoestijn tegenkwam was een vrachtwagen.

Winfred foeterde. ,,De lading is gaan schuiven'', zei hij, ,,omdat ze te snel rijden. Jouw veiligheid is in mijn handen, en mijn veiligheid is in handen van de Heer. Als je wilt kan ik je rondrijden, ik rijd je ook naar de kust, naar Walvis Bay, het is maar vier uur. Maar jij moet zeggen waar we heengaan. Jij bent de meester.''

Hij gaf me zijn visitekaartje, en ik zei: ,,Ik ga je bellen. Je moet zuinig zijn met je contacten in een land als Namibië.''

,,Wat kom je hier doen? Ben je toerist?''

Mijn winterjas lag op mijn schoot, mijn computertas lag naast me.

,,Ik ben toerist'', zei ik.

,,Hoor je bij een groep?''

,,Nog niet'', zei ik.

Winfred zweeg en ik gaf hem de foto van Hannes terug.

,,Kinderen?'' vroeg hij.

Ik schudde mijn hoofd.

,,Vrouw?''

,,Er wordt aan gewerkt'', zei ik.

Eindelijk zagen we huizen. Of huizen: een benzinestation, een winkel, boven de winkel iets waar mensen zouden kunnen wonen.

,,Dit is Klein-Windhoek'', zei Winfred.

We stopten.

Als dit Klein-Windhoek was, vroeg ik me af wat ik me bij Windhoek zelf moest voorstellen.

,,Hier is een bank'', zei Winfred, ,,en een geldautomaat. Ik ga even plassen. Dan kan jij het geld regelen.''

Misschien waren er witte mensen in Klein-Windhoek. Maar niet op dit uur van de dag. Op de stoep zaten zes mannen, in overall, sommigen waren nog halve jongens, en ze staarden me aan zoals je een beest aanstaart dat je niet eerder hebt gezien.

Ik liep naar de geldautomaat. De winterjas had ik in de auto laten liggen.

Mijn bankpas stak ik in de gleuf. Ik toetste mijn pincode in. Ik keek naar links en zag dat Winfred uit de wc was gekomen. Hij praatte met iemand. Ze keken in mijn richting.

Mijn bankpas werd geweigerd.

Ik liep naar Winfred. Er is wel wat voor de hitte te zeggen, meer dan voor de kou.

,,Hij doet het niet'', zei ik.

,,Er is daar nog een bank'', zei Winfred.

Ik begon in de richting van het gebouw te lopen waarop hij gewezen had, maar Winfred zei: ,,Niet lopen. We nemen wel de auto.''

Vrijwel gelijktijdig stapten we weer in de schoonste taxi van Namibië.

En twee minuten laten stonden we met zijn tweeën voor een geldautomaat van de Windhoek Bank. De meester en zijn vriend, de chauffeur.

Mannen zaten ook hier werkeloos op de stoeprand en bekeken ons als een film.

Ik stak de pas in de gleuf. Er kon mij niets gebeuren. Het ergste is al gebeurd, zeggen de boeddhisten.

Toen bedacht ik dat ik de naam van mijn hotel vergeten was. Ik wist niet meer waar ik heen moest.

En Winfred zei: ,,Het is het regenseizoen. Om vier uur gaat het regenen, meester.''

Wordt vervolgd