Het moet vonken

`Joe Speedboot', de vierde roman van Tommy Wieringa, gaat over de vriendschap tussen een vliegtuigbouwer en een invalide jongen. ,,Het is gewoon niet zo dat mensen niet worden overreden door cyclomaaiers.''

De rugbyclub uit Dwingeloo heeft post gestuurd. Een ansichtkaart in een envelop, bijgesloten een injectiespuit en een zakje wit poeder. `How to become a bestseller-writer', staat erop. Tommy Wieringa (1967) grijnst. Zijn rugbyclub volgt de zegetocht van zijn roman Joe Speedboot met grote belangstelling. ,,Er zitten veel van hun grappen in het boek. Veel van hun namen ook trouwens.''

Schrijver Tommy Wieringa woont in een verbouwde boerenschuur langs de Vecht. In een oud autootje rijdt hij naar Weesp voor de zaterdagkrant, met op de voorpagina de advertentie voor Joe Speedboot. ,,De derde druk'', zegt hij trots. ,,Je krijgt op de lange duur toch een beetje last van de Brakman-angst. Tientallen romans en nooit een tweede druk.''

Eerst schreef Wieringa Dormantique's manco en Amok. Vijf jaar deed hij vervolgens over Alles over Tristan, dat werd bekroond met de Halewijnprijs en op de longlist van de AKO-prijs terechtkwam. Het duurde zo lang, zegt hij, omdat hij het wiel opnieuw moest uitvinden. ,,Ik hield op met autobiografisch schrijven en leerde vertrouwen op mijn verbeelding. Na Amok was ik mijzelf als onderwerp allang zat; ik was mijzelf zat. Ik stopte daarop met roken, nam een fenomenale psychiater, vrijgevestigd in Rotterdam, en begon aan een baan als eindredacteur van het tijdschrift Nul/25. Dat alles gaf me zekerheid; ik ontsnapte uit het navelstaarderig universum waarin ik mezelf had opgesloten.''

Wieringa: ,,Ik heb lang niet beseft dat met je hoofd alles kan. Neem Stephen Hawking. Die kan alleen maar met zijn ogen knipperen, maar hij heeft wel het universum tot zijn beschikking. Ik bedoel maar; die man verklaart zwarte gaten voor ons.''

In 1997 was Wieringa voor het tijdschrift Rails in Ethiopië. ,,Het moment dat ik het écht zag, kwam toen ik in Harar geweest was. Daar heeft Arthur Rimbaud een handelsmissie gedreven. Trossen kinderen wezen me de weg naar het `Rimbaud-house', een schitterend koloniaal koopmanshuis, gebouwd na zijn tijd. Rimbauds échte huis is een vervallen, onaanzienlijk lemen huisje. Dat zette me aan het denken over hoe mensen van mythes houden. Hoe ze steunen op verhalen die groter zijn dan zijzelf.

,,Vervolgens stapte ik in de trein naar Addis Abeba. Ik zat op een zak suiker en kreeg qat aangeboden, de geestverruimende plant waarop veel mensen daar kauwen. Ik zat die struik af te grazen, tegenover me gaf een vrouw haar kind de borst. Uitkijkend over de steenwoestijn kreeg ik een megalomaan visioen. `Mijn boeken moeten vleugelslag krijgen', dacht ik, `er bestaan nergens anders grenzen, dan in mijn eigen hoofd'.'' Het klinkt als een mythe, maar dat vindt Wieringa geen punt. ,,Een mythe ligt als een schaduw over mensen en dingen. Hij maakt het leven groter, niet kleiner. Dat is de rode draad die Alles over Tristan met Joe Speedboot verbindt.''

Alles over Tristan is het verhaal van een universitair docent die de biografie wil schrijven van de visionaire dichter Viktor Tristan. De roman speelt zich af in decadent-mediterrane en tropische sferen, in Cafés Colonial en steden die Mercedal of Malgrétout heten. Ook Joe Speedboot is de onvoltooide biografie van een held, maar hoe anders is alles verder! Weg biografische onthullingen in oorden van literair verval. In plaats daarvan: grenzeloze dadendrang in het nondescripte Nederland van Café De Zon en Café Zaal Terras Waanders. Een klein dorp dus, op de grens met Duitsland waar nooit iets gebeurt. De verteller, Fransje Hermans, heeft op het moment van aanvang meer dan tweehonderd dagen in coma gelegen. Hij heeft `doorligplekken over mijn hele lichaam en een condoom-katheter om mijn fluit'. Fransje is overreden. Niet door een auto of een vrachtauto, maar door een cyclomaaier. Hij kan niet meer bewegen, alleen zijn arm waarmee hij zijn rolstoel vooruitpompt. Hij kan niet praten ook trouwens. Zuipen des te beter – `hoe ver moet je gaan om van medelijden verlost te worden?' – en schrijven. Dagboek na dagboek kalkt hij vol.

Tijdens zijn coma is ene Joe Speedboot `als een meteoriet' het dorp komen binnendenderen. Joe bouwt explosieven. Hij bouwt een luchtwaardig vliegtuig omdat hij de moeder van zijn klasgenootje PJ naakt in haar tuin wil zien liggen. Geen wonder dat deze Joe de grote held wordt van Fransje. ,,Bewondering'', zegt Wieringa, ,,gaat over leren, niet over dwepen. Je steekt er iets van op. Ik heb altijd vrienden gekozen die slimmer zijn dan ikzelf. Ik heb ook altijd gedacht dat dat weer getuigde van intelligentie. Fransje vergroot zijn bewegingsvrijheid, via Joe komt hij in werelden die hij anders niet had betreden.''

Toch blijf Fransje uiteindelijk achter in het dorp, waar nu een snelweg langs ligt. En de afrit waar de dorpelingen voor gestreden hebben, is er niet gekomen. ,,Fransje zoekt verlossing, geen medelijden'', zegt Wieringa daarover. ,,Hij heeft mooi wél de wereld gezien.''

Zelf landde Wieringa op zijn negende in Nederland, in zijn eentje. Horizontaal was hij opgehangen aan het plafond van een vliegtuig, heupen en benen in een gipsbroek, een plasgoot ertussen. ,,Ik woonde op Aruba, waar mijn vader lesgaf, en reed op mijn fietsje onder een Toyota. Mijn ouders zijn later ook teruggekeerd. Nederland, of liever Geesteren, waar we terechtkwamen, bij Almelo, verbijsterde me. De grijsheid ervan. Rare spullen zoals de flessenlikker van mijn grootvader, waarmee je banen kon trekken in een lege vlafles.''

Ontspoorde etters

Eenmaal weer op de been bezocht Wieringa de Vrije School in Zutphen, waar hij werd onderwezen `volgens de krankzinnige dogma's van Rudolf Steiner'. Met nog een aantal andere jongens reed hij elke dag per trein het traject Almelo-Zutphen. ,,Ik trok op met twee vroegwijze ontspoorde etters. Broers. De één is nu dood, de ander psychotisch, maar binnen die volstrekt ontspoorde treingemeenschap waren ze koningen. Messcherp in het fileren van ijdelheid en onoprechtheid. Zij sloopten mij tot jankens toe, maar áls ze me toelieten, was ik euforisch. Net als zij was ik anti-autoritair in hysterische zin; niets of niemand legde ons beperkingen op. Binnen de grenzen van die school en die treinreis is dat niet erg, maar daarna was het niet handig. In de echte wereld red je het niet.''

Dat Wieringa niet de kant van de twee broers opging, heeft hij te danken aan de vrouw bij wie hij in huis kwam nadat hij op zijn zeventiende van school was gestuurd. ,,Mijn stiefmoeder zorgde ervoor dat ik op de havo terechtkwam, ze gaf me kasten boeken te lezen. Binnen twee jaar studeerde ik geschiedenis in Groningen. Zij is mijn redding geweest.''

Joe Speedboot bouwt een shovel om tot een Paris Dakar-waardig voertuig, maar dat is pas veel later. Dan heeft Wieringa de verhalen van het dorp al via Fransje aan ons verteld, zoals van de Egyptische minnaar van Joe's moeder, die op een zelfgebouwde felouka het dorp uitzeilt om nooit meer terug te komen. Dan is Engel Eleveld al omgekomen omdat er een hond op zijn hoofd is gevallen. En dan heeft Joe Fransje al meegesleurd in een waanzinnig avontuur; de Europese kampioenschappen armpjedrukken. Als François le Bras strijdt hij met die ene arm in bierholen van Luik tot Rostock tegen mannen als Hennie Oosterloo, bordenwasser van De Uitspanning, of Mehmet Koç – de-Turkse-Hulk. Achterin de auto zit het meisje PJ, van wie Joe en Fransje beiden dromen.

Het boek Joe Speedboot doet zijn naam eer aan. Het ziet heroïek in onooglijkheid en het raast van energie. ,,Ik krijg jeuk van kleine gebeurtenissen'', zegt de schrijver. ,,Als er een zee van mogelijkheden ligt, waarom zou je je dan beperken? En die zee, die is er; wij dénken alleen maar van niet. Ik las in de krant over een Japanner die in Parijs, in het dertiende arrondissement, een hond op zijn hoofd kreeg. Gewoon, een klein berichtje. Of laatst, dat bericht over de laatste twee joden in Afghanistan. Eén was er gestorven en de ander had gezegd: `Het is goed dat hij dood is, hij was een slecht mens.' Dat bestaat dus, een gemeenschap van twee mensen die dan nóg in staat zijn elkaar te haten. Net zo bestaat al dat andere. Het is gewoon niet zo dat mensen niet worden overreden door cyclomaaiers. Of dat er geen honden op hoofden vallen in het dertiende arrondissement.''

`Ik had nog nooit iemand ontmoet', schrijft Fransje over Joe, `bij wie het idee zo vanzelfsprekend leidde tot uitvoering, op wie angst en conventies zo weinig greep hadden.'

,,Angst in het schrijvershoofd leidt tot stagnatie'', erkent Wieringa. ,,Je moet je bevrijden van de literaire wereld, waarin critici troost en straf uitdelen. Onbewust blijk je te zijn gaan denken dat schrijven op een bepaalde manier hoort. Terwijl het juist raadzaam is om lak te hebben aan andermans oordeel. Een heel goede vriend zei tegen me: hou je onderwerpen dichter bij jezelf. Ik geloof dat ik daar goed naar heb geluisterd.''

De naam Joe Speedboot hoorde hij ooit van een vriend in Groningen. ,,Hij vertelde me van een jongen die zich zo noemde. Ik vond dat een fantastische anekdote; de durf om je naam te veranderen, te zijn wie je wilt zijn, het is iets van een hogere orde. Speedboots verhaal was aanvankelijk tragisch, veel eendimensionaler. Tot ik op een ochtend wakker werd en met een ongelooflijke dadendrang en schrijfzin uit bed sprong. Toen daagde het me: ik heb een verteller nodig die juist níet kan bewegen.

,,Op de Vrije School werd voor een jongen die ik nog nooit gezien had, dagelijks een antroposofisch gebed gehouden omdat hij was aangereden. Hij lag in coma, was twintig meter weggeslingerd. Een ventje van tien, dat slingert makkelijk. Ik mompelde dat gebed mee, maar de jongen leerde ik pas kennen toen hij weer terugkwam, in een rolstoel, met een plaid om zijn benen. Die jongen is natuurlijk niet Fransje Hermans, hij is mijn informant. Hij bracht mij op het idee: tussen die statische figuur en de kinetische kunsten van de ander moet het vonken. En uit die tegenstelling moet het boek geboren worden.''

Aura-reader

De intieme details van Fransje Hermans' leven kloppen stuk voor stuk, benadrukt Wieringa. ,,Ik heb de jongen van mijn school opgezocht. Hij zit nog altijd in zo'n stoel, hij werkt als aura-reader. Ik heb hem moeten vragen naar zijn seksleven, naar hoe hij zich ontlast en hoe hij dat op school deed. Hij had een pismaat die hem hielp. Poepen deed hij nooit op school, alleen zijn moeder mocht hem afvegen. Op zo'n gegeven baseer ik de relatie met Fransjes moeder. Hij schoffeert haar, omdat hij van haar het meest afhankelijk is. Daar kan hij niet tegen.''

Op andere pagina's leert de lezer hoe je een vliegtuig bouwt (`achttien-inch motorwielen van de sloop, staaldraad, veren van een Opel Kadett van Sloperij Hermans & Zn'), en wat er precies door de strijdende partijen heengaat bij een professioneel potje armpjedrukken. ,,Ik zag iets dat ik nog niet eerder gezien had bij iemand die ik verslagen had, vernedering. Het hield zich op rond zijn neus en mond, kleine spiertrekkinkjes die wezen op een gekrenkt ego.''

Onderzoek is belangrijk, zegt Wieringa, juist de details moeten kloppen. Voor de vliegtuigpagina's ging Wieringa op bezoek bij bouwkunstenaar Joost Conijn, hij laat een foto zien van diens archetypisch, strak oranje zelfgebouwde vliegtuig. ,,Joe Speedboot kan als handleiding gebruikt worden, mocht je ooit onverwacht een vliegtuig nodig hebben.''

Hij begrijpt niets van E.L. Doctorow, de Amerikaanse schrijver die laatst in een interview zei dat research niet nodig was, zolang de karakters maar geloofwaardig blijven. ,,Doodjammer is dat, je verspilt fantastisch materiaal. Vreemde details maken je universum tegelijk geloofwaardiger en krankzinniger.'' Driehoeksverbindingen bijvoorbeeld. Hij duidt het uit op tafel, tussen de koffiebekers. ,,Een vierkant gaat schuiven, kijk zó. Een driehoeksverbinding niet. Het is de sterkste vaste verbinding, leerde Joost Conijn me, zijn vliegtuig is eruit opgebouwd. Mijn boek bestond daarvoor al uit een aantal driepuntsverbindingen en dit technische detail gaf dat nog een extra lading. De basisconstructie is hecht, door de rest moet wind kunnen waaien. Er zitten veel personages in die verschijnen en weer verdwijnen. De allergrootste bevrediging blijft voor mij in de dynamiek zitten, niet in de constructie op zich.''

Hoe kwam Fransje Hermans tenslotte aan zijn toon, de vitale toon die het boek bepaalt? Fransje, zou je zeggen, heeft reden om te tobben. Toch heeft hij geen last van de navelstaarderij die zoveel Nederlandse romanpersonages kenmerkt. Ja, hij zit in spanning voor een wedstrijd, hij baalt als hij zijn arm breekt en iemand anders hem naar de wc moet helpen, hij droomt van PJ. Fransje lijdt aan heel wat, maar van spinrag in zijn kop heeft hij geen last.

,,Fransje begon tegen me te praten'', zegt Tommy Wieringa. ,,Ik hoefde alleen te verwijderen wat niet paste. Hij moppert, maar zonder zelfmedelijden. Hij heeft groot mededogen met de mensen om hem heen, een ruim perspectief. Tegelijk maakt hij deel uit van een omgeving van bouwers en slopers, stoïcijnse mannen die zich niets gelegen laten liggen aan het oordeel van een ander. Ze bestaan per dag, het overspannen zelfbewustzijn van het randstedelijk publiek is ze vreemd. Dat staat zelfinzicht niet in de weg, maar van dat voortdurende zichzelf in twijfel trekken hebben ze geen last.''

We gaan naar buiten, waar schapen geduldig op de lente wachten. Dáár, wijst Wieringa naar zijn groene uitzicht, is een zesbaans snelweg gepland. ,,Als die er komt'', zegt hij, ,,ben ik hier heel snel verdwenen.''

`Joe Speedboot' is verschenen bij uitg. De Bezige Bij, €18,90