Het land weggeven aan de burger

Nederland geldt als land van pappen en nathouden. De `opstand der burgers' van Pim Fortuyn zou een anomalie zijn. Maar een nieuwe studie ziet een rode draad van rebellie en geweld in de vaderlandse geschiedenis.

In de discussie over de Nederlandse identiteit, die de gemoederen opnieuw verhit, gaat het onder meer over de vraag hoe pragmatisch, nuchter dan wel gewelddadig de vaderlandse geschiedenis is. Is dit `een land van kleine gebaren', van schikken en inschikken, of ontkennen de aanhangers van zo'n nationaal harmoniemodel de episodes van radicalisme en gewelddadigheid die de Nederlandse geschiedenis wel degelijk heeft gekend?

Joost Rosendaal, die vorig jaar het vuistdikke Bataven! publiceerde over de gevluchte Nederlandse patriotten in het revolutionaire Frankrijk, schreef een handzaam overzicht van de Nederlandse revolutiejaren tussen 1783 en 1799, met als uitgangspunt dat radicaliteit `een terugkerende hebbelijkheid in de Nederlandse geschiedenis' is. Kijk maar naar Rotterdam op 4 april 1783. De patriotse burgercompagnie patrouilleerde die avond met bajonet op het geweer. De orangisten waren getergd omdat de patriotse luitenant-kolonel Elsevier een tamboer had ontslagen die het Wilhelmus had aangeheven. Een menigte oranjeklanten belaagde de compagnie, waarna er in paniek enkele schoten werden gelost, die vier mensen het leven kostten.

Na deze doden zouden er nog velen volgen. Waar geen doden vielen, werd toch flink geknokt en geplunderd. En ook als direct geweld uitbleef, waren de mores niet zachtzinnig: grootschalige zuiveringen, ontheiliging van symbolen van de tegenpartij en demonisering van de tegenstander waren de middelen waarmee in Nederland aan het eind van de achttiende eeuw politiek werd bedreven. Wanneer het gaat om direct geweld, vallen twee dingen op: de Oranjepartij lijkt een stuk gewelddadiger dan de patriotten, en het meeste geweld werd gepleegd in de context van buitenlandse militaire inmenging door Pruisen en Frankrijk.

De patriottenbeweging had zijn oorsprong in een conflict over steun aan de Amerikaanse revolutie. De Hollandse handelselite zag in die steun een manier om de Engelse handelsmacht te breken, maar vermoedde dat stadhouder Willem V die pro-Amerikaanse houding trachtte te saboteren. Op 25 september 1781 verscheen het beroemde pamflet van Joan Derk van der Capellen tot den Poll, Aan het volk van Nederland, waarin deze verdenking expliciet werd gemaakt. Willem V had `onze Natie daardoor vreesachtig, achterhoudend en geveinsd gemaakt, en haar rond, eenvoudig, oud Hollands karakter en bestaan bedorven'. Dat had behalve met de buitenlandse politiek ook te maken met corruptie en vriendjespolitiek. Willem V had grote zeggenschap over de benoeming van regenten. De patriotten pleitten voor een `grondwettige herstelling' waarin de lokale zeggenschap over bestuurlijke benoemingen werd hersteld.

Zelfbenoemde elite

De patriottenbeweging kwam derhalve voort uit een conflict binnen de elite en werd aangevoerd door een deel van de adel. Maar al gauw breidde de beweging zich uit naar de brede burgerij, die de corrupte regentenkliek verantwoordelijk stelde voor het waargenomen economische verval van de Republiek. Overal werden exercitiegenootschappen opgericht, die vanaf 1784 samenwerkten in een landelijke organisatie, gecoördineerd in een Nationale Vergadering, om zo `met goed en bloed' de `Vrijheid en Onafhankelijkheid der Republiek' te verdedigen. De gewapende burgerij vormde evenwel niet het hele volk. Zij vonden het `gemene volk' tegenover zich, dat vanouds meer vertrouwen had gesteld in Oranje, als beschermheer van de gewone man.

De tegenstelling tussen patriotten en orangisten verscherpte nadat de stadhouderlijke troepen in september 1786 het opstandige Hattem hadden beschoten en Elburg bezet. Toen op 28 juni 1787 vervolgens Wilhelmina, de echtgenoot van Willem V bij Goejanverwellesluis werd aangehouden, snelde haar broer, de Pruisische koning Frederik Willem II, te hulp. In de context van deze invasie plunderden Oranjeklanten overal de huizen van patriotten en mishandelden de bewoners. Na deze Oranjeterreur volgden grootschalige zuiveringen van de lokale besturen. Ten slotte werd een strafbetaling, de 25ste penning, opgelegd, waarvan de opbrengst door Frederik Willem II werd gebruikt om de Tor des Friedens te bouwen, die wij nu bewonderen als de Brandenburger Tor.

Een tweede geweldsgolf rolde vanaf 1793 door Nederland, in het voetspoor van de Franse troepen die in eerste instantie tevergeefs, maar in januari 1795 met meer succes een nieuw republikeins bewind vestigden. Zij waren uitgenodigd door de patriotten die na 1787 naar het zuiden waren gevlucht en als ballingen zich met name in het Franse Sint-Omaars hadden verzameld. Daar kregen zij van de Franse vorst, maar na 1789 ook van de Franse revolutionairen, financiële en intellectuele steun. Dat laatste kwam tot uitdrukking in het geschrift van Mirabeau, Aux Bataves sur le Stadhoudérat (1788), waarin een Déclaration des droits de tout peuple qui veut la liberté met 26 grondrechten was opgenomen, die volgens Rosendaal als voorloper van de Verklaring van de rechten van de mens en de burger van 1789 moet worden gezien. De ballingen richtten een Comité Batave op, dat met propaganda en een Plan de Révolution politicque pour la Hollande de Nederlandse revolutie voorbereidde, die uiteindelijk in 1798 uitmondde in de creatie van een Nederlandse eenheidsstaat.

De constitutie van de Nederlandse staat lijkt met minder wapengekletter gepaard te zijn gegaan dan de Orangistische contrarevolutie van 1787. In constructieve zin overheerste de propaganda, met het vlagvertoon van de driekleur en de vaderlandse historische pedagogiek onder leiding van een Agent van Nationale Opvoeding. Wel was er sprake van een felle anti-orangistische agitatie, waarbij men Willem V bij voorkeur vergeleek met Alva en zijn bloedraad en de 25ste met 10de penning. In navolging van Franse retoriek was deze kritiek ook gemunt op `Aristocratische Cabale', zoals de regenten nu werden genoemd. Rosendaal wijst ook op de letterlijke demonisering, bijvoorbeeld door de radicale patriot Gerrit Paape, die Willem V betitelde als `den Lucifer uwer zeven gewesten', en Wilhelmina `een Satan onder eene vrouwlijke gedaante' noemde. Zij werd gezien als kwade genius achter haar man, die vaak werd aangeduid als de `zotskap' en `loböorigen Willem'. Opvallend is verder het antiklerikalisme van de revolutionair retoriek, gericht tegen de predikanten, die met hun bede voor Oranje als `Baälspriesters' van de liturgie een `Molochdienst' hadden gemaakt. Ook dergelijke retorische en symbolische aanranding kon heftige vormen aannemen, zoals het vernielen van wapenborden en grafstenen, of de schending van het graf van Friese stadhouders in Leeuwarden, in augustus 1795. Maar de symbolische vernietiging van het Nederlandse ancien régime voerde de boventoon: 's-Hertogenbosch en 's-Gravenhage werden niet geplunderd, maar herdoopt in Den Bosch en Den Haag.

Vier doden

Het valt niet te ontkennen: de Nederlandse revolutie was nogal gewelddadig. Maar het moet ook weer niet worden overdreven. Na de vier doden van 1783 in Rotterdam volgde een opvallend Nederlandse reactie: er werd een onderzoekscommissie ingesteld, die de orangistische dames Kaatje Mossel en Ruige Keet aanwees als aanstichters van de onrust. Zij werden gevangen gezet, en kwamen in 1787 weer vrij. Belangrijker is nog wat deze episode zegt over de Nederlandse geschiedenis in het algemeen. Rosendaal doet een, niet erg uitgewerkte, poging om permanente radicaliteit in de Nederlandse geschiedenis aan te wijzen. Hij komt dan met het bekende rijtje van de Opstand, het Twaalfjarig Bestand, het rampjaar 1672, en in de laatste eeuw Troelstra, Mussert, Provo, de kraakbeweging en Fortuyn. Allemaal tamelijk radicaal, maar wat is het vergelijkingspunt? De Dertigjarige Oorlog, de terreur van Robespierre, Stalin, Hitler of Pol Pot? Zijn de kroningsrellen van 1980 te vergelijken met de tientallen Algerijnse doden in Parijs in 1961? Wellicht niet, maar ondertussen heeft Rosendaal wel een interessant punt gemaakt: de Nederlandse politieke geschiedenis kent radicale momenten, die niet alleen tot revolutionaire koorts herleid kunnen worden, maar die ook voortkomen uit contrarevolutionaire volkswoede. De patriotten en Troelstra vergisten zich daarin, Fortuyn en Wilders bevestigen het: de Nederlandse bevolking is meestal politiek gematigd, maar tot radicaliteit geneigd waar het gaat om God, Vaderland en Oranje.

Joost Rosendaal: De Nederlandse Revolutie. Vrijheid, volk en vaderland 1783-1799. Vantilt, 256 blz. €16,95