Had motorfiets, ben uitgegleden, been eraf

Het is zo'n vijfentwintig jaar geleden dat er wekelijks twee eigenaardig geklede mannen op de televisie te zien waren. Ze bewogen zich houterig voort en voerden houterig conversatie. Het was raar en spannend, grappig vaak ook. Er was een grote, stevige man in rokkostuum met bolhoed en horlogeketting, die deftig en wat neerbuigend deed en een kleine, verlegen man met bril, krap kostuum en iets te korte pijpen, met een hoge stem en een onderdanige manier van doen. Ze noemden elkaar consequent `meneer'. Ze spraken in schrijftaalzinnen op een heel indirecte manier over gevoelige kwesties. In Herenleed, zoals het programma van Cherry Duyns (de grote) en Armando (de kleine) heette, werd van alles aangestipt: dood, eenzaamheid, weemoed, onvervulde verlangens, heimwee naar vroeger of elders.

Nu er van beide heren afzonderlijk een boek is verschenen, dringen zich onwillekeurig herinneringen op aan die optredens. Zowel in de roman De Chinese knoop van Duyns als in de nieuwe serie miniverhalen van Armando in Het wel en wee, treft de ijle, enigszins onthechte toon die ook Herenleed kenmerkte. Geen stevige uitspraken, geen vastomlijnd wereldbeeld, geen harde conclusies, maar wel veel omtrekkende bewegingen, veel aarzeling en veronderstelling, veel weemoed ook over het verstrijken van de tijd. `Men heeft vrienden die net een kind gekregen hebben', schrijft Armando in een van zijn 86 korte overpeinzingen. `Je gaat daarna een stevige wandeling maken, je komt terug, staat daar de inhoud van de wieg met lange benen in een kort rokje en een verantwoordelijke baan. Of er zit een eigenwijze jongeman in de kamer met de baard in z'n keel. Het is niet bij te houden.'

Met verwondering schrijft Armando in Het wel en wee over uiteenlopende onderwerpen als de liefde, het woord `toen', de autoloze zondag van weleer of het in zijn ogen vreemde verschijnsel van de zandbak, waarin taartjes gebakken dienen te worden (`dat vond ik als kleuter al kinderachtig'). Vooral heeft hij het over mensen, een onderwerp waar hij maar niet over uit kan. Anders dan dieren doen zij aan kunst, noteert hij. Ze zoeken overal een bedoeling achter. Ze willen iets, maar wat? `Ieder mens denkt dat ie recht heeft op een prieel', zo vat hij de hele kwestie nog maar eens kort samen. Zelf weet Armando wel beter. Van een mensenleven moet niet al te veel worden verwacht. Argwaan is op zijn plaats. Mensen voeren vaak iets in hun schild, maar zijn hun eigen leven ook niet zeker. Als hij schrijft over zwaartekracht, dan heeft hij het niet over regen en sneeuw, maar dan vallen er dubieuze zaken uit de lucht: vliegtuigen, bommen, kogels en uitwerpselen. Als het herfst is en de bladeren vallen, dan zit een ongeluk in een klein hoekje. Dat moest een brommerrijder ondervinden: `Had een motorfiets, is uitgegleden op een kruispunt, been eraf.'

Over veel zaken des levens valt, zoals Armando het fraai uitdrukt, niet veel meer dan een `bouwvallige mededeling' te doen.

Ook Cherry Duyns kiest in De Chinese knoop voor een bescheiden aanpak. Hij behandelt een overzichtelijk thema: een zoon, overgekomen uit Bretagne, die zijn overleden moeder betreurt en herinneringen ophaalt aan zijn jeugd in Haarlem. Zij verdiende, als jonge weduwe, haar karige kost met de verkoop van kunstbloemen die zij thuis maakte, vaak met hulp van zoon Robert. Tijdens het leegruimen van het huis en het regelen van begrafenis en grafsteen, denkt hij terug aan zijn altijd opgewekte, kordate moeder en aan haar vriendschap met de Chinese snoepverkoper Lin Ying. Hij moet flink graven in zijn geheugen om de episode weer boven water te krijgen. Het verhaal over `de vreemdeling die onze vriend was', blijft desondanks aan de dunne kant. We komen over `oom Ying' niet veel meer te weten dan dat hij ooit zijn vrouw en vier zoons achterliet in een straatarm dorp, gelegen in `blauwe heuvels'. Hij wilde zijn geluk elders beproeven en zoveel geld verdienen dat hij later weer terug zou kunnen keren naar zijn dorp en zijn gezin. Maar als hij, na 25 jaar sappelen, genoeg geld heeft gespaard om de terugreis te kunnen aanvaarden, blijkt een andere Chinees er met zijn geld vandoor en dan verliest hij alle moed.

Het probleem met de Chinese snoepverkoper is niet alleen dat hij weinig tekst heeft – hij komt niet veel verder dan `dag Lobet' als hij Robert begroet, het stopwoord `goeie' en de mededeling dat hij een `glote velassing' heeft – maar ook dat de vriendschap met `moedel' platonisch blijft. De hartelijke onderlinge betrekkingen blijven daardoor toch wat oppervlakkig. Moeder trekt een duidelijke streep: zij wil op zijn verzoek best een knoop (de Chinese knoop uit de titel) aan zijn gulp zetten, maar niet als hij die broek aan heeft. Robert spreekt de verwachting uit dat deze `kleine geschiedenis' na zijn dood zal verdwijnen `in de afgrond van de onverschillige vergetelheid'. Dat sluit ik inderdaad niet uit, want de geschiedenis is net iets te vlak en te gewoontjes om echt tot de verbeelding te kunnen spreken.

Armando en Duyns maken ieder op hun manier nog maar eens duidelijk hoe weinig een mens, in hun ogen, heeft in te brengen in het leven. Het is allemaal aardig geformuleerd en sympathiek van toon, en de een (Armando) weet het net iets pregnanter te brengen dan de ander, maar af en toe doet al die behoedzaamheid hevig terugverlangen naar enig theatraal vertoon: een raar huppelpasje, een sonore stem, een krap kostuum met te korte pijpen, een protserige horlogeketting of een dialoog tussen twee heren die misschien ook wel nergens over gaat, maar de toeschouwer toch het gevoel geeft dat er wonderwat gebeurt.

Cherry Duyns: De Chinese knoop. Thomas Rap. 160 blz. €14,50

Armando: Het wel en wee. Augustus. 110 blz. €14,90