Geef mij een schorre keel

De titel van de nieuwe bundel van Ilja Leonard Pfeijffer, In de naam van de hond, zegt op voorhand nog niet zo veel, maar met de ondertitel bevinden we ons meteen op vertrouwd terrein. Deze bundel bevat `de grote gedichten'. Geen lange of brede of reeksachtige gedichten, wat het ook wel zijn, maar grote gedichten – alsof het een bekende genre-aanduiding is. Dus niet van dat kleine gedoe. En ook niet zomaar eens enkele van die grote gedichten, maar gewoon de grote gedichten. Met bepaald lidwoord. Ondertoon: dit zijn de enige grote gedichten die er nu, en de komende eeuw, toe doen. Goed spul.

Het is brutaal en grappig tegelijk. Bravoure en zelfspot, bluf en ironie. De dichter doet zich groot voor, groter dan hij is, maar moet ook wel weer lachen om zijn eigen opgeblazenheid. Het is een karakteristieke Pfeijffer-melange, die zijn gedichten bij voorbaat onder spanning zet. `Ik zal het wel eens even laten zien', zo komt hij binnen, maar vervolgens moet dat nog wel even waargemaakt worden. Gaat dat wel lukken? Dat is vaak de vraag. En er is geen weg terug.

Zo heet hij ons welkom in een van zijn grote gedichten: `drim dram drom damheer gsavonszamen tezamen beneden is plek / zatteketat met pruitzicht'. Aan het woord is iemand die zich in de loop van het gedicht (zes bladzijden lang) ontpopt als een soort spreekstalmeester in een circus. Hij stelt de artiesten aan ons voor (de goochelaars, de acrobaten, de paardendressuur) en en passant ook zichzelf. Al gauw blijkt dat hij de dood is, de dansmeester die ons de dodendans gaat leren in dit circus (of is het een hotel) van de dood. Hij spreekt in een raar mengtaaltje van stijlen en stijlbreuken, vol herhalingen en vervormingen, zonder komma's en punten, en vanaf het begin vol rare archaïsmen en met een erg sterk Duits accent. Hij zegt, behalve `drim dram drom' en `prim pram prim pram prim pram', ook zulke dingen als `iek ben iek' en `noemt mij hoedmans de hoge dover van licht/ der zwepen kenner klapper' en `noemt mij aanzegger tansmeester tood met de hoed en de draden elke el/ tanst naar mijn pijpen'. En zo verder, brede regel na brede regel, woordspel na woordspel.

Typetje

Het lijkt wel cabaret, met de dichter als cabaretier die een typetje doet. Soms komt er iets grappigs voorbij: `het leven ist mislukte goochel'. Soms iets diepzinnigs: als het gaat om de grote verdwijntruc die de dood in zijn circustheater op ons wil toepassen. Soms iets seksueels, als het gaat over de meisjes in de korte rokjes op de paardjes en `de galop van begeerte'. En soms iets intellectueels, met toespelingen op de poëzie van Roland Holst en Celan bijvoorbeeld, in datzelfde mengtaaltje. En meer dan eens worden wij gewezen op de overeenkomsten tussen deze dansmeester en de dichter, immers ook iemand die `kunst uit lucht' maakt en die als een marionettenspeler (`noemt mij draadman') ons bespeelt.

Hiermee is nog lang niet alles genoemd dat in al deze over elkaar heen buitelende regels aangeroerd wordt. Tot stilstaan en herlezen nodigt al deze gelijkgeschakelde taal intussen niet. Verder gaat het alweer, naar weer zo'n lange lap breedregelige uitzing- en oproepverzen, bijvoorbeeld over `hoe ik moe werd van mijn russische ziel'. Ander typetje, andere ingrediënten, maar het stramien is hetzelfde: een conference in stapelzinnen en stamelspraak, zonder hoofdletters. Sneeuwjacht, nikitahart, bruinkool, `een veel te groot land', wolga, `modelspoorbaanhuisjes slapen scheef in mosgroen viltbos', oorlogsmonument, provinciestad, dorst, grote dorst, nog meer sneeuw, berken, dennen, sovjetzeep: alle voor de hand liggende Ruslandattributen trekken hier voorbij, in een weinig gestructureerde opsomming die maar doorgaat en doorgaat en dan, in de laatste regel, slap eindigt met `en buiten stroomt de wolga'.

Het is eerder een stijloefening of tekst voor een leuk nummertje dan een effectief opgebouwd gedicht. Pfeijffer hijst zich in een pak, loopt naar een cliché decor, slaat een toon aan, zet een stem op en steekt maar eens van wal. En dan maar zien waar het schip strandt. Meestal is dat ver voor het einde van het grote gedicht. Door de simpele vertelmaardoorplaktechniek (het woord `en' komt hier het vaakst voor) dient zich nooit een probleem aan. En indien wel, dan kapt de dichter de lopende zin af (apokoinou-constructie, anakoloet-techniek) en gaat gewoon met de volgende verder. Geen structuur, geen opbouw, geen syntaxis. Het dichterlijke element zit vooral in de afzonderlijke woorden. Die moeten het samen dan maar doen. Piepoud, stokjong. Oppasoma. Kotslapopinies. Okeë bedoelslagingen. Oordschapnissen. De strakke zuurbuik van het wachten. Periparapneuma, haaienporno, tandjeskoud. Moeilijke woorden, Bargoens, jargon, reclametaal, managerspraat, oude woorden, nieuwe woorden, gymnasiastentaal, van alles door elkaar. Pfeijffer heeft daarbij een sterke voorkeur voor de allitteratie, op het kinderachtige af.

Onheilsprofeet

Met al die duistere woordstapelingen wil hij vermoedelijk graag de indruk wekken een dichter in vervoering te zijn, of een onheilsprofeet, een blinde ziener of een raaskallend orakel dat hoge waarheden doorkrijgt: `dit zijn de dagen van hooi', `dit zijn de dagen van droes'. Maar al die aanzetten tot een hogere of weidsere of diepere blik worden telkens ook meteen weer de kop ingedrukt en overspoeld door allerlei wezenloze praat.

Het procédé is al bekend vanaf `afscheidsdiner', het eerste gedicht uit zijn eerste bundel Van de vierkante man (1998). Daarin nam Pfeijffer afstand van het karige Faverey-menu met veel wit, en daarvoor stelde hij goed gevuld wildbraad op een rondborstig banket in de plaats: `serveer mij in roomboter gebakken beelden/ en verzen met boulemie'. Dat klonk goed, maar na deze derde volle bundel met overvolle gedichten begint het vette roomboterprogramma te vervelen. Er is nog steeds geen doorkomen aan. Pfeijffer wil graag gevaarlijke poëzie schrijven (`poëzie is gevaarlijk of zij is geen poëzie' heette het in zijn tweede bundel, Het glimpen van de welkwiek, 2001) en ook dat klinkt goed, maar van al deze woordstapelingen zal nog steeds niemand opschrikken. Het is en blijft Lucebertje spelen. Hij weet het zelf eigenlijk ook wel. `Zo zing ik tegen beter weten mijn lied' zingt hij in een van zijn grote gedichten. En: `ik begin mij uit de keel te hangen'. Mij het ook.

Ilja Leonard Pfeijffer: In de naam van de hond. De grote gedichten. De Arbeiderspers. 144 blz. €15,95