Elke week een ontdekking

De rechten van de erven Goudstikker worden meer en meer erkend. Een team van kunsthistorici speurt naar duizend kunstwerken. Voor Nederland kan dit verstrekkende gevolgen hebben.

Voor Marei von Saher, de Amerikaanse erfgename van de Nederlandse kunsthandelaar Jacques Goudstikker, was 24 mei 2001 een memorabele dag. Ze kwam toen in het bezit van het vroeg zestiende-eeuwse schilderij De verleiding van Sint Antonius door de Vlaamse schilder Jan de Cock. De Amerikaanse kunstverzamelaar George Katz deed afstand van het schilderij omdat het behoord had tot de collectie die Goudstikker achterliet in zijn kunsthandel toen hij in mei 1940 voor de nazi's naar Engeland vluchtte (zie kader).

De restitutie van het schilderij aan de schoondochter van Jacques Goudstikker leek een incident. Marei von Saher, de weduwe van Goudstikkers zoon Edo, probeerde immers al sinds 1997 om kunstwerken uit de collectie-Goudstikker terug te krijgen, maar zonder resultaat. In Nederland hadden we haar en haar twee dochters Chantal en Charlene in 1997 op de televisie shoppend door het Bonnefantenmuseum in Maastricht zien lopen: kijk dat en dat en dat is allemaal van ons. Het leek een gênante en zinloze vertoning, want de kunstwerken die ze daar zo parmantig liepen aan te wijzen zouden ze toch nooit in handen krijgen, wat dachten ze wel niet.

En inderdaad: de claim van de erfgenamen op de 235 schilderijen uit de Goudstikker-collectie die na de Tweede Wereldoorlog in het bezit waren gekomen van de Nederlandse Staat werd in 1998 door de Nederlandse regering zonder meer afgewezen. In 1999 werd die afwijzing nog eens bekrachtigd door een uitspraak van het Haagse Gerechtshof. Dus toen die Amerikaanse verzamelaar in 2001 dat schilderij van De Cock afstond aan Marei von Saher, maakte niemand zich daar druk over.

Ten onrechte, zoals nu blijkt. Want het bleef niet bij die ene teruggave. Marei von Saher nam de afgelopen twee jaar negen schilderijen in ontvangst van meesters als Anthony van Dyck, Aert de Gelder, Albert Cuyp en Jacopo Bassano. Over de teruggave van tientallen andere werken wordt nu door haar New Yorkse advocaat Lawrence Kaye overlegd met de eigenaren. En dat is nog maar het begin. Overal op de wereld worden de rechten van de erven Goudstikker inmiddels erkend. Door veilinghuizen, musea, kunsthandelaren en verzamelaars.

In Nederland is de afgewezen claim op de 235 schilderijen uit ons rijksbezit vorig jaar alsnog voorgelegd aan de Restitutiecommissie die de regering sinds 2002 adviseert over verzoeken tot teruggave van oorlogskunst. Naar verwachting zal deze commissie eind augustus een advies uitbrengen over de Goudstikker-claim. Maar hoe dat advies ook uitpakt, daarmee hoort de zaak voor Nederland nog lang niet tot het verleden.

Behalve de 235 kunstwerken die na de oorlog uit Duitsland werden gehaald en nu in Nederlandse musea en overheidsgebouwen hangen, zijn er nog veel meer schilderijen en tekeningen die in mei 1940 hoorden tot de immense Goudstikker-collectie van meer dan 1.300 kunstwerken. Hiervan kwam een onbekend aantal later via veilingen of kunsthandels eveneens in Nederlandse musea terecht. En ook die schilderijen en tekeningen zullen worden opgeëist, net als alle Goudstikker-kunst die in het buitenland verzeild raakte.

Als de Restitutiecommissie adviseert tot teruggave van de 235 werken uit rijksbezit, en de regering neemt dat advies over, dan zijn daarmee de aanspraken van de erfgenamen in Nederland officieel erkend. De Nederlandse musea zullen er dan moeilijk onderuit kunnen om de andere werken uit de Goudstikker-collectie eveneens af te staan. Adviseert de commissie de 235 kunstwerken te behouden, dan komt de Nederlandse reputatie in het geding en hebben we internationaal een groot probleem. Om het maar even simpel te stellen: wel met veel fanfare de Koenigs-collectie uit Oekraïne halen, maar de erfgenamen van Jacques Goudstikker in de kou laten staan. Inhalig landje.

Voor Nederland is de Goudstikkerzaak een tikkende tijdbom.

Jan Toorop

Deze week maakte het Israel Museum in Jeruzalem bekend dat het de tekening Vier wachtende naakte danseressen (1891) van Edgar Degas afstaat aan Marei von Saher. De tekening was in oktober 1940 op de veiling gebracht door Alois Miedl, een Duitse stroman van rijksmaarschalk Göring die de kunsthandel overnam nadat Jacques Goudstikker in mei 1940 op de boot naar Engeland was verongelukt. Een klein onderzoekje leert dat op die veiling, op 8 oktober 1940 bij Frederik Muller & Co in Amsterdam, veel meer werken uit de Goudstikker-collectie werden verkocht: tekeningen en schilderijen van negentiende- en twintigste-eeuwse kunstenaars als G.H. Breitner, Jan Sluijters, Van Gogh, Jan Toorop, James Ensor en Willem Witsen. Verschillende van die werken kwamen in Nederlandse musea terecht, zoals bijvoorbeeld twaalf tekeningen van het interieur van de Kaarsenfabriek Gouda door Jan Toorop uit 1905. Alle twaalf zijn in het bezit van het Haags Gemeentemuseum. Deze tekeningen en een nu nog onbekend aantal andere kunstwerken uit Nederlandse collecties zullen ongetwijfeld worden opgevraagd.

Advocaat Kaye heeft al aangekondigd dat een schilderijtje van Jan van Goyen dat het Mauritshuis in 1967 bij een Haagse kunsthandel kocht, geclaimd zal worden. Dit schilderijtje werd zomer 1940 uit de handelsvoorraad van Goudstikker aan Göring verkocht en kwam via een Berlijnse veiling in 1957 weer in Nederland terecht. Maar Kaye wacht wijselijk met het indienen van claims in Nederland tot de Restitutiecommissie een uitspraak heeft gedaan.

Intussen is een team van vier kunsthistorici in opdracht van Marei von Saher bezig alle zoekgeraakte kunst uit de Goudstikker-collectie in Europa en Amerika te traceren. Het gaat om zo'n duizend tekeningen en schilderijen. Het team, dat onder leiding staat van de Duitse `kunstrechercheur' Clemens Toussaint, heeft hiervan nu zo'n zeshonderd werken geïdentificeerd en vijftig gelokaliseerd. Volgens Toussaint komen daar elke week een paar nieuwe ontdekkingen bij: ,,We hebben schilderijen uit de Goudstikker-collectie gevonden in Polen, Rusland, de Verenigde Staten, Nederland en vooral in Duitse en Oostenrijkse musea en privé-collecties. De Staatsgalerie in Stuttgart heeft onlangs een stilleven van James Ensor afgestaan en het vervolgens voor een schappelijke prijs teruggekocht van de erfgenamen, zodat het in het museum kon blijven. Gezien het Duitse beleid bij het teruggeven van oorlogskunst verwachten we dat andere Duitse musea het voorbeeld van Stuttgart zullen volgen.''

Toussaint spreekt van het grootste internationale herkomst-onderzoek van kunstwerken uit de geschiedenis: ,,We hebben een kantoor in New York, maar we doen ook veel research in Europa. Een van mijn medewerkers zoekt bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag de foto's bij de kunstwerken die Goudstikker volgens een inventarislijst in voorraad had toen hij wegvluchtte. Een ander gaat alle honderdzestig musea in Duitsland af. We speuren in archieven van Berlijn tot Boston. Dit voorjaar zullen we op een conferentie in Hamburg over herkomstonderzoek een presentatie geven van onze research als een wetenschappelijk project.''

Eerlijke oplossing

Ik sprak Lawrence Kaye en Clemens Toussaint vorige week in Amsterdam. Ze waren op weg naar de Tefaf in Maastricht, waar ze met een Nederlandse kunsthandelaar die een werk van Goudstikker bezit, zouden gaan onderhandelen over teruggave. Later meldde Toussaint mij desgevraagd telefonisch dat het moeizaam was verlopen: ,,Overal komen we tot een bevredigende oplossing, behalve met Nederlandse kunsthandelaren.''

In ons eerdere gesprek vroeg ik met welke argumenten zij huidige eigenaren weten te overtuigen dat de erven Goudstikker recht hebben op de kunstwerken die ze claimen. Het antwoord van Kaye was kort: ,,Dat is heel simpel, it's Holocaust loot.'' Toussaint voegde daaraan toe: ,,In 1998 zijn bij de Holocaust-Conferentie in Washington richtlijnen opgesteld voor de teruggave van oorlogskunst en die worden nageleefd door bijna alle 44 landen die daar vertegenwoordigd waren. De Goudstikker-collectie staat op de internationale lijsten van kunstwerken die de nazi's in de oorlog hebben buitgemaakt. Daarom valt er met musea niet veel te discussiëren als het om teruggave gaat: de meeste musea in de wereld erkennen de Goudstikker-claim. Bij privé-personen ligt het soms gecompliceerder. Volgens de regels die in Washington werden opgesteld moeten beide partijen bij oorlogskunst tot een `just and fair solution' zien te komen. Niemand wil een besmet schilderij aan de muur, dus als mensen het zich kunnen permitteren, geven ze het gewoon terug. En anders moeten we die `juiste en eerlijke oplossing' zien te vinden.''

Kaye: ,,Tot nu toe zijn de reacties meestal zeer welwillend. Laatst werd een landschap van de zeventiende-eeuwse Friese schilder Mancadan aangeboden bij een Nederlands veilinghuis. Het veilinghuis belde ons en vroeg: Wat zullen we doen? Op ons aanraden hebben ze het schilderij teruggetrokken en daarna heeft de eigenaar het aan Marei von Saher overgedragen.''

Navraag bij Sotheby's en Christies leert dat werken uit de Goudstikker-collectie hier niet worden geveild. De collectie staat vermeld in het Art Loss Register (ALR), de Londense database van gestolen en vermiste kunstwerken die terugmoeten naar de rechthebbenden. Antiquair en Tefaf-voorzitter Dave Aronson zegt: ,,De Tefaf checkt alles met het ALR en Goudstikker-kunst wordt hier dus niet toegelaten. Persoonlijk zou ik eraan meewerken dat een stuk uit die collectie teruggaat naar de erfgenamen.''

Antoon Ott, directeur van de Stichting NedArt die zich inzet voor het behoud van ons cultureel erfgoed en opkomt voor de belangen van de kunsthandel: ,,De laatste paar jaar wordt ook in Nederland anders gekeken naar de eigendomskwestie bij oorlogskunst. Men vindt dat de juridische claim weliswaar verjaard is, maar de morele niet. Nederland heeft na de oorlog voor een klein deel van de Goudstikker-collectie een schikking getroffen met Goudstikkers weduwe, Dési von Saher. Voor alle overige werken wordt de claim van de ergenamen nu internationaal erkend. Of een kunsthandelaar bereid is tot teruggave hangt af van verschillende factoren. Twintig jaar geleden stond niemand stil bij het oorlogsverleden van schilderijen en het kan dus zijn dat zo'n schilderij toen in goed vertrouwen werd ingekocht. Ik wil geen mening geven over de vraag of alles moet worden gerestitueerd aan de erfgenamen. Ik wacht op de uitspraak van de Restitutiecommissie, die zal ook voor de Nederlandse kunsthandel van belang zijn.''

Inspectie Cultuurbezit

Omdat Goudstikkers weduwe Dési (die later hertrouwde met Edward von Saher) na moeizame onderhandelingen met de Nederlandse overheid in 1952 akkoord was gegaan met een regeling waarbij ze afzag van haar rechten op de honderden naar Duitsland verkochte schilderijen uit de kunsthandel van haar man (zie kader), kwam Nederland in het bezit van de 235 uit Duitsland gerecupereerde kunstwerken die nu sinds 1997 door de erven Goudstikker worden geclaimd. In theorie beschouwde Nederland de schilderijen en tekeningen die na de oorlog in het buitenland waren gebleven eveneens als rijksbezit. In theorie, want er werd vanaf eind jaren vijftig tot in de jaren negentig niet actief naar gezocht.

Maar in 1997 liet de Inspectie Cultuurbezit van het ministerie van OCW weten dat de pogingen van de Nederlandse regering om kunstwerken terug te krijgen die in de oorlog aan Duitsers waren verkocht, waren geïntensiveerd. In dat jaar eiste de regering twee zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderijen op uit het Poesjkin Museum in Moskou: Oude vrouw telt geld van Salomon Koninck en Landschap in maanlicht van Aert van der Neer. Beide schilderijen hoorden in mei 1940 tot de Goudstikker-collectie, het doek van Koninck had nog het etiket met het inventarisnummer 2010. Charlotte van Rappard, hoofd van de Inspectie Cultuurbezit vertelde toen aan deze krant dat de Nederlandse overheid nog altijd zocht naar de honderden in het buitenland verdwaalde kunstwerken van Goudstikker: ,,Zodra we een aanwijzing krijgen dat op een veiling, bij een expositie, of in een kunsthandel een van deze werken opduikt, gaan we erop af.''

Betekent dit dat de Nederlandse regering en de erven Goudstikker nu naar hetzelfde op zoek zijn? Kan Nederland straks tegen Marei von Saher zeggen: Bedankt voor het zoeken en geef die schilderijen nu maar hier?

Nee, dat kan niet. Inmiddels is het Nederlandse recuperatiebeleid alweer veranderd. Volgens een woordvoerster van het ministerie van OCW is Nederland sinds 2000 `terughoudend' geworden bij het opeisen van oorlogskunst uit het buitenland. Alleen `voorwerpen die onmisbaar en onvervangbaar zijn voor het Nederlands cultuurbezit' worden teruggevraagd. Zoals de tekeningen uit de Koenigs-collectie die in Rusland terechtkwamen: ,,Dat is de enige zaak die nu nog speelt, aan die claim houdt de regering onverminderd vast.''

Maar hoe zit het dan met de Nederlandse claim op de schilderijen van Koninck en Van der Neer? Het blijkt niet makkelijk op die vraag een antwoord te krijgen. Uiteindelijk wordt meegedeeld dat het ministerie op grond van `cultuurhistorische overwegingen heeft afgezien van het doorzetten van de claim' op die twee schilderijen.

Wat niet verteld wordt, is dat die schilderijen door Nederland werden opgeëist op aandrang van de erven-Goudstikker. Hun Nederlandse advocaat, prof. mr. H. Schonis legt uit hoe dat zat: ,,In Rusland zou de termijn voor kunstclaims na 1997 aflopen, er was haast bij. Volgens internationale afspraken kunnen staten onderling kunst terugvorderen voor burgers. Toen Nederland de schilderijen in 1997 opeiste, was er nog niet beslist over de claim van de erven Goudstikker. Het was dus ook nog geen uitgemaakte zaak dat de twee werken na een eventuele teruggave door Rusland naar de erfgenamen zouden gaan. Maar in 1998 werd de Goudstikker-claim door Nederland afgewezen. Stel dat Rusland die schilderijen alsnog zou teruggeven, dan zou Nederland ze toevoegen aan het rijksbezit. En nu zou dat internationaal onacceptabel zijn. Op het terughalen van de Koenigs-collectie is veel kritiek geweest, andere landen vragen allang geen oorlogskunst meer op om het eigen bezit aan te vullen. Dat gebeurt alleen nog om individuele burgers te helpen.''

Dat `cultuurhistorische overwegingen' op het ministerie de doorslag gaven bij het opgeven van de claim op de twee doeken, nee, dat gelooft advocaat Schonis niet.

Marei von Saher en haar dochters hoeven zich niet te verdiepen in deze ingewikkelde kwesties, daarvoor hebben zij hun legertje van advocaten en kunsthistorici ingezet. Toen het Israel Museum deze week een tekening van Degas teruggaf juichte Charlene von Saher in New York: ,,Wij hebben de beste onderzoekers en de beste advocaten en ik kijk uit naar de dag waarop mijn grootvaders nalatenschap weer geheel bijeengebracht zal zijn.''